Collectief Huisonderwijs voor Hooggevoelige Jongeren

 Mannaz School

Boeken Boetiek


view:  full / summary

De helaasheid der dingen

Posted by Annick Lentacker on August 15, 2019 at 8:35 AM Comments comments (0)


De gebruikte uitgave

De roman of misschien wel bundel verhalen verscheen in februari 2006 bij de uitgeverij Contact. Het boek telt 206 bladzijden en op de voorkant staat een afbeelding van een lelijke sanseveria (een plant met slechts drie stengels) In een van de hoofdstukken wordt deze plant meegenomen naar een Iranees echtpaar bij wie de hoofdfiguren naar de live show van Roy Orbison op de televisie gaan kijken.


Genre

"De helaasheid der dingen" is een afrekening met het milieu en de geboorteplaats Reetveerdegem, waarnaar de schrijver Dimitri Verhulst terugkeert. Hoewel de roman het Vlaamse dorpsleven van Reetveerdegem beschrijft, is er toch geen sprake van een streekroman in de traditionele betekenis.


Geschikt voor havo en vwo

"De helaasheid der dingen" is een heerlijke roman om te lezen. Aan de hand van de fraaie pen van Verhulst wordt de lezer gevoerd naar een sappig Vlaams dorpsgebeuren, waar de familie Verhulst zich heeft overgegeven aan drank en seks. Zonder grof te worden maar met een heerlijke portie ironie en sarcasme zal menig lezer moeten lachen om de alcoholprestaties van de vader en de ooms van Dimitri. Eén van de ooms organiseert een drankwedstrijd gebaseerd op de beginselen van de Tour de France. Ook het uiteindelijke thema van de vader-zoonrelatie zal een groot aantal lezers aanspreken. Echt een roman die je achter elkaar uitleest en die je ook nog bij zal blijven als een humorvolle literaire prestatie. Lezen dat boek voor je lijst. Goed te combineren met andere vader-zoonromans als "Karakter" van Bordewijk, "De aansprekers" van Maarten ’t Hart of "Knielen op een bed violen" van Jan Siebelink.


De flaptekst

In "De helaasheid der dingen" keert de schrijver terug naar zijn geboortegrond in Reetveerdegem. We maken kennis met zijn vader, Pierre, die zijn paar uur oude zoontje in een postzak op zijn fiets langs alle kroegen van het dorp rijdt om hem aan zijn vrienden te tonen; zijn grootmoeder, wier nachtrust al te vaak verstoord wordt door de politie als die weer eens een van haar dronken zonen thuis komt afleveren; en niet te vergeten de werkloze nonkels Potrel, Witten en Zwaren, voor wie een wereldkampioenschap zuipen het hoogst haalbare is en die leven volgens het adagium 'God schiep de dag en wij slepen ons erdoorheen'. De helaasheid der dingen is zowel een gevoelige ode aan als een hilarische afrekening met het dorp van een jeugd. Verhulst is een sterk stilist, die met veel gevoel voor timing en vertelkracht de aandacht van zijn lezers vasthoudt van de eerste tot de laatste bladzijde.


Opdracht

Voor Windop. En ter nagedachtenis van mijn grootmoeder, die zich de schaamte wou besparen en stierf terwijl ik de laatste bladzijden van het manuscript voltooide.


Motto

Er zijn twee uitvoerige motto’s.

"Het verbaasde me dat je daaraan je leven kon wijden, de wereld nabootsen en daar niet helemaal in slagen, en wanneer je er wel in slaagt voeg je slechts het vergankelijke aan het vergankelijke toe, dat wat je niet kunt krijgen aan dat wat je niet hebt."

Pierre Michon, Uit: Meesters en Knechten

"Waarom droom ik nu niet meer over mijn moeder? Misschien omdat ik te veel over haar geschreven heb, ik heb zelfs haar mooie profiel verspreid op de omslag van een boek, en ik heb haar aanwezigheid bezworen, zonder ook maar iets te willen bezweren. Mij viel mijn moeder niet lastig, ik heb haar zelf opgeroepen door zoveel over haar te schrijven, maar ik vermoed dat ik uiteindelijk een literair personage heb geschapen, complex, artistiek, ingewikkeld, en daarmee is me de echte moeder ontvallen, de dode moeder. Ik ben de wees van een dode moeder, omdat ik teveel over haar geschreven heb."

Francisco Umbral, Uit: Een wezen van verten

De beide motto’s zijn zo uitvoerig dat ze wat hun betekenis betreft, voor zichzelf spreken. In het laatste motto wordt de verhouding van de auteur met de moeder duidelijk aangegeven. In eerdere romans heeft Verhulst ook over zijn moeder geschreven, wellicht is ze in deze roman om die reden vrijwel onzichtbaar, behalve in het hoofdstuk over de "plaspas".


Thematiek

Verhulst gaat in de roman terug naar zijn geboortedorp. Hij beschrijft met veel humor zijn familieleden en zijn dorpsgenoten. Het is een onbezorgd leven van veel zuipen en neuken. Tegelijkertijd gaat hij in het vervolg van de roman stiekem over op een beschrijving van zijn vader. Ondanks het alcoholgebruik bewondert hij toch zijn vader. Hij vergelijkt zijn eigen rol als vader (vrij liefdeloos tegen het ongewenste kind Joeri) met die van zijn vader. Hij keert in het laatste hoofdstuk terug in zijn geboortedorp en hoewel hij niet neerkijkt op zijn triviale familie (zuipen en neuken doen zijn nonkels) o.a. in het taalgebruik blijkt dat hij er niet meer helemaal thuis hoort. Waar zijn zoontje het nog over "zeiken" heeft, corrigeert zijn vader hem in "plassen". Hij is het milieu waarin hij is opgegroeid, min of meer ontgroeid. Daarom kun je roman ook zien als een vader-zoonroman. Het is geen afrekening met het milieu, maar meer de constatering van de ontheemding van je roots. Het je niet meer thuis voelen in je oorspronkelijke omgeving. Maar Verhulst doet dat in een dergelijk humorvolle stijl dat je vaak moet lachen om de leuke anekdotes in prachtige zinnen die hij op papier weet te krijgen.

Motieven zijn derhalve:

- alcoholgebruik

- seksualiteit

- puberteit

- standsverschil

- dorpsleven


Structuur en verhaalopbouw

Je zou "De helaasheid der dingen" een roman maar evengoed een verhalenbundel kunnen noemen. Het boek is opgebouwd uit twaalf hoofdstukken die allemaal een titel hebben en min of meer zelfstandige verhalen zijn. Eigenlijk zouden de twaalf verhalen los van elkaar gelezen kunnen worden, al zit er natuurlijk wel een doorlopende rode draad in de bundel: nl. de familie Verhulst en nog sterker de vader-zoonrelatie tussen Pie en Dimitri. Dat is bovendien een heel andere verhouding dan die tussen vader Dimitri en zijn eigen zoon Joeri. In principe worden de verhalen wel in een soort chronologische volgorde verteld: van ongeveer dertien jaar tot ruim dertig jaar. Gezien het feit dat Dimitri zelf in 1972 werd geboren en de roman in ieder geval in het laatste hoofdstuk na 2002 speelt (Joeri wint 1500 Euro) is de ikfiguur in dat hoofdstuk ruim dertig jaar.


Perspectief

De verhalen in de roman worden verteld door een ikverteller, Dimitri Verhulst. In het begin van het boek lijkt hij ongeveer 13 jaar te zijn. Zijn nichtje Sylvie komt op bezoek en hij gaat met haar mee naar de kroeg. De ooms maken toespelingen op hun onderlinge verhouding.

De verteller groeit met de vordering van het boek mee. Hij wordt later blijkbaar (wordt niet expliciet verteld) in pleeggezinnen opgenomen, omdat het milieu waarin hij verkeert, slecht is voor de ontwikkeling van een kind. Later wordt zijn vader in een inrichting opgenomen en weer later heeft Dimitri het dorp reeds verlaten. Zijn vader is overleden en één keer per vijf jaar bezoekt hij diens graf. Inmiddels is hij zelf vader en zijn grootmoeder dement geworden. Hij houdt niet van de moeder van Joeri en eigenlijk ook niet van het jongetje zelf. In het laatste hoofdstuk is Joeri al vijf jaar en bezoekt hij met zijn zoontje Reetveerdegem opnieuw om te bekijken wat er van zijn ooms terechtgekomen is. De verteller heeft een cynische blik op het dorp: eigenlijk bestaat zijn familie (zijn ooms en zijn vader) uit zuiplappen. Hun hoogste goed lijkt het om dronken te worden. Het lijkt erop dat de verteller steeds meer afstand wil nemen van zijn geboortedorp.


Stijl van Dimitri Verhulst

De stijl van Verhulst is heel erg mooi. Gloedvol weet hij de omgeving van Reetveerdegem neer te zetten in een humorvolle stijl die precies de nodige afstand tussen schrijver, personages en lezer weet te bewerkstelligen. Het valt helemaal niet moeilijk fraaie zinnen uit het boek te citeren waaruit de kracht van Verhulsts schrijversschap blijkt.

Hieronder volgen drie voorbeelden van de prachtige stijl van Verhulst:

- "Niemand die ooit geduldig in het gras gelegen heeft en een bloem uit een knop zag springen, of die een vlinder zijn larvenlijf zag aan de kapstok hangen en aan het leven beginnen als een ware avatar, zal de kosmische verwondering begrijpen die ik voelde, toen ik Helenes borsten zag ontstaan." (blz. 33)

- "Bij het doorkruisen van alle door de zon in slaap gesuste, roze en dromerige steden, dwars door de Vendése velden, helemaal langs de Loire, die langzaam en stil stroomt, gaan deze mannen en vrouwen het vocht door hun kelen laten vlieden, uitzinnig onvermoeibaar, en ze zullen op hun weg allerlei vlagen van bewusteloosheid en braakneigingen tegenkomen die ze van zich af moeten schudden, hoofdpijnen en diarree doorstaan, ze zullen nieuwe krachten opdoen en de ambitie wekken om iets te zijn, al is het alleen door de kracht van een sterke maag, door de goede werking van de lever, wat toch meer waard is dan helemaal niets te zijn."(blz. 59)

- "Geen enkele vrouw zou met een gerust gemoed mogen bevallen in een katholieke materniteit, waar nonnen altijd uit jaloezie sadistische trekken kunnen vertonen, als ze met hun fikken in een van zonden doorsopt geslachtsorgaan zitten te woelen. Ze zouden wel eens wraak kunnen nemen voor hun eigen leven van onthouding en gebed, en vaker de verlostang hanteren dan nodig." (blz. 172)


Titel

In het woord "helaasheid" zit natuurlijk iets van treurigheid waaraan je zelf weinig kunt doen. En over die dingen gaat het precies in het dorp Reetveerdegem. Dimitri kan er eigenlijk ook weinig aan doen terecht gekomen te zijn in de familie Verhulst: een familie die te lui is om te werken, maar de dag na een zuipprestatie dan ook nodig heeft om bij te komen van de kater. Maar juist die treurigheid weet Verhulst zo leuk te beschrijven, dat de lezer niet mee gaat zitten huilen met de kleine Dimitri, maar de terugkeer naar Reetveerdegem eerder zal beschouwen als een humorvolle afrekening van de auteur met zijn jeugd.


Samenvatting van de inhoud

Een schoon kind

Rosie Verhulst, komt op een bepaald moment terug naar het huis van haar moeder (Dimitri’s grootmoeder). Ze wordt mishandeld door haar man en ze heeft haar mooie dochter meegenomen. Deze Sylvie is de zonde waard. Ze gaat mee naar het café: eerst drinkt ze een beetje fris, maar als de meisjes tweeling van het café (heel lelijke dwergen) opmerkingen maken over haar afstandelijkheid, komt Sylvie los. Op initiatief van een kroegloper André gaat ze aan de biertjes en aan het eind van de avond lalt ze de meest schunnige liedjes mee en moet ze meegesleept worden door de nonkels. Ze is meteen populair bij de familie. Als Rosie hoort dat Sylvie door André is zat gevoerd, laat ze uit haar mond vallen dat André in feite haar biologische vader is. Maar ze dreigt Dimitri dat hij dat nooit mag vertellen. Hij ziet haar voorlopig niet meer.


De vijver van de gezonken babylijkjes

Palmier is een blonde, naar vis stinkende vrouw van wie de leeftijd niet bekend is. Over haar ging het gerucht dat ze enkele kinderen zou hebben verdronken in de vijver bij haar woning. De jeugd van het dorp is gewend om bij de vijver contacten op te doen. Zo ziet Dimitri eigenlijk voor het eerste de ontluikende borsten van zijn meisjes-dorpsgenoten o.a. van de schone Helene. Palmier heeft ook een hond die steeds maar vastgebonden is en waarmee de jongens medelijden hebben. Die hond Blondi wordt echter tijdens het vastgebonden zitten ook nog gedekt en de jongens willen de hond eigenlijk losmaken. Toch mag dat niet van de oude vrouw. Dan worden er ook nog eens jonkies geboren en daarna moeten ze van Palmier de puppies in de vijver verdrinken: ze worden door de jongens in een jute zak gedaan en in de vijver gesmeten. Bij terugkomst is de hond Blondi woedend op de jongens: ze hoeven niet in zijn buurt te komen. Later zegt een dorpsjongen dat hij toch de ketting van Blondi heeft doorgesneden en sindsdien is de hond spoorloos.


De Ronde van Frankrijk

Een van de nonkels, Potrel, heeft de schurft aan het feit dat hij niet mee mag doen met de wereldkampioenschappen zuipen die een lokaal café heeft uitgeschreven. Op het allerlaatste moment had nonkel Herman meegedaan en natuurlijk gewonnen, hoewel hij zijn winst met een ziekenhuisopname moest bekopen. Na de overwinning was hij namelijk gaan rijden en hij had een ongeluk veroorzaakt, maar daarbij had hij ook een gangsterbende opgerold, waardoor hij alleen maar meer aanzien had gekregen. Grootmoeder krijgt het bericht te horen van een jonge agent, die ze op haar nummer zet omdat hij een Latijnse uitdrukking (comateuze toestand) gebruikt.

Potrel zet echter een Tour de Franse op met een aantal zuipetappes, waarbij elke 5 kilometer goed is voor een biertje. Wie het eerst de vereiste biertjes op heeft, wint een etappe en krijgt een trui. De bolletjestrui is voor degene die in een “bergetappe”ook sterke drank weet weg te krijgen. De grap is ook dat de moeder van Potrel (Dimitri’s grootmoeder) denkt dat Potrel zijn luiheid heeft omgezet in sportiviteit en van haar weinige geld koopt ze een nieuwe racefiets voor haar zoon, die hij weer verpatst om de drank voor de Tour de France te betalen. Potrel zet zwaar in tijdens de eerste bergetappe en giet de zware drank achter elkaar naar binnen. Hij krijgt een delirium tremens, maar de jonge agent die dit moet komen vertellen krijgt weer een veeg uit de pan van grootmoeder: hij moet geen Latijn tegen haar praten.

Alleen de allenen (de letterlijke, Nederlandse vertaling van "Only the lonely" van Roy Orbison)

Het is weer eens zo ver. De deurwaarder komt weer een stuk inboedel weghalen,omdat nonkel Zwaren een flinke gokschuld had opgebouwd. Deze keer valt de keus op de televisie. Dat is een klap voor familie Verhulst, want net die avond komt er een live concert van Roy Orbison op de televisie. Maar nonkel Zwaren weet het toch te fiksen. Hij laat de hele familie kijken bij een Iranees immigrantenstel. Ze nemen een bak bier en een oude sanseveria mee als geschenkje. Grappig is dat de Iraniërs beter Nederlands spreken dan de Verhulstjes, die een soort krom migranten Nederlands tegen de immigranten spreken. Maar ze maken er wel een dolle boel van, zuipen er op los, staan op de tafel etc. Alleen Dimitri’s vader heeft het moeilijk bij de bekendste song van Orbison "Only the lonely" (Alleen de allenen). Hij huilt tranen met tuiten en moet naar huis gesleept worden. De Iraniërs hebben een mooi beeld gekregen van inburgering.


Het nieuwe liefje van mijn pa

Dimitri is gewend dat er altijd vrouwen voor de deur staan bij de Verhulstjes. Alle nonkels hebben een typische smaak van vrouwen. Op een dag komt er een prachtige en gedistingeerde vrouw voor Dimitri’s vader Pie. Die ligt nog bij te komen van zijn avondje zuipen van de nacht ervoor. Hij wil niet uit zijn bed komen en vraagt of het soms dat wijf van gisteren is. Uiteindelijk komt hij ongewassen man naar beneden en hij zegt dat hij het hele mokkel niet kent. Dat klopt want het is een vrouw van de Dienst Jeugdzorg die de woonomstandigheden van Dimitri komt onderzoeken. Ze vraagt het één en ander aan Dimitri o.a. over zijn moeder. Dimitri antwoordt, dat zijn moeder een hoer is.


Iets over mijn moeder, mevrouw

In dit hoofdstuk vertelt Dimitri over zijn moeder die een "plaspas" van de overheid heeft gekregen. Je mag dan overal plassen , zelfs wildplassen is toegestaan. Hij vertelt dat hij zijn moeder haat en dat hij graag bij haar wegwil. Ze is nogal dominant aanwezig. Ook geeft ze hem zijn jeugd lang het idee dat hij er de oorzaak van is dat zij incontinent is geworden, omdat ze zo’n moeilijke bevalling met hem heeft gehad. Op een bepaald moment zijn ze op het strand en hij heeft het plan opgevat om weg te gaan bij zijn moeder, maar ze blijft het oog strak gericht op hem houden. Wanneer ze moet plassen en denkt met haar plaskaart voorrang te krijgen bij de strandtoiletten, valt dat tegen. Ze moet nu in zee gaan plassen en op dat moment, ziet Dimitri zijn kans schoon. Hij ziet zijn moeder nooit meer terug.


De pelgrim

"De pelgrim" is de naam van een afkickcentrum en Pie(rre) Verhulst besluit op een morgen dat het zo niet langer kan met zijn drankgebruik. Hij wil zich aanmelden bij het afkickcentrum. Wat zijn andere broers hem ook proberen voor te houden, hij is vast van plan door te zetten. Dan zeggen zijn broers dat ze hem in ieder geval gaan wegbrengen en onderweg naar de inrichting doen ze werkelijk ieder café aan dat op de heenweg ligt. Ladderzat komen ze bij de inrichting aan en net op dat moment besluit een psychiatrisch patiënt naar beneden te springen en zelfmoord te plegen. Het weerhoudt Dimitri’s vader er niet van om toch naar binnen te gaan. Tot groot verdriet van zijn broers, de nonkels van Dimitri. Op de terugweg doen ze natuurlijk weer een aantal cafés aan.


De verzamelaar

De Verhulstjes vormen een familie apart, waartegen in Reetveerdegem nogal wordt opgekeken. Maar een schoolvriendje van Dimitri, Franky, nogal rijk en uit een importfamilie, mag niet langer met Dimitri spelen vanwege diens afkomst. Daarvoor mocht hij steeds naar de verzameling Märklintreintjes komen kijken. Franky doet dat eigenlijk om Dimitri de ogen uit te steken. Ze verliezen elkaar jaren uit het oog, maar als Dimitri jaren later op een verzamelbeurs loopt en een smurf voor zijn eigen verzameling koopt, ziet hij Franky terug. Die verzamelt nu allerlei voorwerpen die met het joodse geloof te maken hebben. Zeer tegen zijn zin praat Dimitri met Franky en die nodigt hem uit nog eens langs te komen in zijn huis. Enkele maanden later belt Franky hem op om de uitnodiging te herhalen. Dimitri gaat tegen zijn zin op bezoek, merkt op dat de man alleen woont: zijn vrouw zal hem verlaten hebben. Dan komt ook de aap uit de mouw, want Franky vertelt hem dat oom Zwaren het met zijn vrouw houdt en dat deze hem daarom verlaten heeft. Hij probeert Dimitri te laten bemiddelen. Die wil zich er helemaal niet mee bemoeien en aan het eind van het bezoek bewondert Dimitri nog de treinverzameling van Frijky. Die is nog uitgebreider en geperfectioneerde geworden. In de wagonnetjes zitten kleine joodse poppetjes.


De genezene

Na drie maanden mag Pie Verhulst op proefverlof uit de inrichting. Hij is van de alcohol af en is behoorlijk aangekomen. Zijn beide broers proberen hem te verleiden mee te gaan stappen, maar Pie wil liever niet. Als hij het weekend droog blijft, mag hij de inrichting binnenkort verlaten. Maar het vlees is toch zwakker dan de geest en Dimitri ziet met lede ogen aan dat zijn vader toch meegaat. Met zijn grootmoeder wacht hij televisiekijkend op de terugkomst van zijn vader, maar die komt de eerste dagen niet meer boven water. Hij heeft het weekend niet droog kunnen houden.


De opvolging is verzekerd

In dit hoofdstuk volgen we de bevalling van Dimitri’s kind. Hij is in het ziekenhuis en uit alles blijkt dat hij niet houdt van de vrouw die van hem zwanger is geworden. Hij wil ook eigenlijk liever niet bij de bevalling aanwezig zijn. Zijn gedachten gaan terug bij de ingang van het ziekenhuis (waar hij staat om te roken) naar het verhaal om zijn eigen geboorte. Natuurlijk zat zijn vader in de kroeg toen zijn moeder moest bevallen. Maar toen hij eenmaal gebeld was met de mededeling dat er een zoon geboren was, was hij naar de kliniek gegaan, had Dimitri uit de wieg gehaald en hem in de postzak (Pie was postbode) aan alle mensen die hij in de kroegen ontmoette, laten zien. Een legendarisch verhaal in Reetveerdegem. De zoon blijkt heel anders over zijn niet gewenste zoon te denken: misschien wordt hij nog wel doodgeboren. Hij zou hem zeker niet trots aan iedereen willen laten zien.


Voer voor etnologen

In dit hoofdstuk is Dimitri opnieuw ouder geworden. Hij bezoekt zijn grootmoeder die inmiddels dement is geworden en niet meer weet of ze haar zoon dan wel haar kleinzoon op bezoek heeft. Ook is er altijd een mongool Marieken bij haar. Eens in de zoveel tijd brengt hij een bezoek aan zijn grootmoeder en de gesprekken gaan natuurlijk helemaal nergens over. Dimitri’s vader is inmiddels overleden. Dan bellen zijn ooms hem op en vragen hem of hij wil meewerken aan een onderzoek van een etnoloog over de teksten van dronkemansliedjes. Dat wordt immers Vlaams cultuurgoed. Dimitri vertelt dat hij vaak niet meer weet dan de eerste regel en hij weigert mee te doen. Daarna komen de broers op het idee om de demente grootmoeder te laten zingen: omdat ze kinds is, zal zij zich de teksten wel weten te herinneren. De opnameploeg komt in het verzorgingstehuis waar zijn grootmoeder is, maar er komt niets uit. Dan besluiten de ooms om bier te gaan drinken; misschien komen de woorden dan wel automatisch, maar nee hoor. Alles mislukt. Als de opnameploeg weg is, begint grootmoeder ineens de tweede regel van een dronkemansliedje te zingen. Ze heeft het dus toch geweten, maar de boel in de maling genomen.


Een nonkel voor dat kind

Dimitri is met zijn 5-jarig zoontje Joeri naar zijn geboortedorp afgereisd. Hij wil zijn ooms nog een keer ontmoeten. In de kroeg wil hij eigenlijk niets drinken, maar daar zijn de ooms niet gevoelig voor. Joeri (ongewenst kind bij zijn ongewenste vriendin) wil op de gokkast spelen. Een oom geeft hem wat geld. De jongen haalt er 1500 € uit en die mag hij van Dimitri niet houden. Oom Herman is daarna blij met die geldsom en hij wint ook nog een belspelletje op de radio en krijgt een bon uit de videotheek. De nonkel rijdt mee naar de videotheek en haalt een film van Bambi voor Joeri. Op de terugweg moet Joeri “zeiken”. Hij moet van Dimitri “plassen” zeggen. Met die veelbetekenende correctie geeft Dimitri eigenlijk aan dat hij zijn geboortedorp ontgroeid is.


Recensies

Kort na het verschijnen van de roman waren er al recensies in belangrijke dagbladen. En over het algemeen was men heel positief over de inhoud van de verhalen en de stijl van de schrijver.

In het Belgische tijdschrift Humo van 24 januari 2006 wordt de roman als volgt gerecenseerd: "In ’De helaasheid der dingen’ (Contact) zoekt dertiger Dimitri Verhulst naar de mooiste woorden voor het lelijkste Vlaanderen. In Reetveerdegem, het Aalsterse barakkendorp dat als locus terribilis van deze autobiografische schetsen fungeert, laten vaders bulderend bierscheten, heffen straalbezopen dwergvrouwen hun rokken op en wint men drie bakken bier wanneer men er als eerste in slaagt de onderbroek van het meisje van de Bijzondere Jeugdzorg van nabij te bekijken. Als men al werkt, is het als facteur, en valt men doorgaans voor tien uur 's ochtends van zijn fiets.

Als weinig andere Vlaamse schrijvers slaagt Verhulst erin dialect te laten klinken als Nederlands, dat bovendien rijmt met zijn nostalgische, soms wat hooggestemde inborst. Wanneer Dimmetrieken in een arcadische scène aan de dorpsvijver de borsten van een zekere Helene 'met een plop' te voorschijn ziet springen, krijgt hij een ’gevoel dat men, indien mogelijk, in potjes zou willen doen. Alinea’s beginnen met de zin 'Ook aan die avond is een eind gekomen', en wanneer Verhulst aan het slot nog eens naar Reetveerdegem terugkeert, is het vol afschuw, onaangepastheid en weemoed.

Anders dan in 'Problemski Hotel' (zijn korte roman over het asielzoekerscentrum in Arendonk) beperkt Verhulst zich hier tot zijn eigen verleden. Dat perkt de thematiek nogal in, maar geeft hem tegelijk de gelegenheid om met hart en ziel te lachen en te huilen, bijvoorbeeld met de alternatieve Tour de France van achttien enthousiaste zuipers – één pint per vijf kilometer, en whisky en wodka voor de Tourmalet. In het heden van Verhulst is er een vaste vriendin en een kind en verantwoordelijkheidszin, en toch ook weer veel verleden: 'Een zetel voor een vertelling is ook waar wij ons naar toe slepen, wij worden elkanders vertelling die één van ons twee zal moeten doen, en ik stel er mij misschien te sterk op in dat zij het zal zijn die het laatste woord zal nemen.' 'De helaasheid der dingen' is een lelijke titel voor een bijwijlen ontroerend boek".

In de Vlaamse krant De Standaard van vrijdag 27 januari 2006 besluit recensent Marc Cloostermans zijn kritiek met : “Zo zit heel "De helaasheid der dingen" in elkaar. Elk hoofdstuk is een miniklucht en pas laat realiseer je je dat dit ook een vaderboek is: een hulde aan de stuntelige mens die Dimitri's vader was, die probeerde zich te ontworstelen aan zijn verslavingen, maar keer op keer faalde. Tegen de tijd dat je dit beseft, is het al te laat en zit je plots een heel ander boek te lezen: een bloedmooi, uniek relaas van een man die hulde brengt aan zijn vader, terwijl zijn eigen vaderschap een fiasco aan het worden is.

De vlijmscherpe kritiek aan het adres van de niet-marginale Vlaming past perfect in dit vaderboek. De verteller ergert zich aan de zelfingenomenheid van nouveaux riches, die denken dat succes hun aangeboren recht is. Terwijl De helaasheid der dingen net pleit voor het tegendeel: het recht op falen.

Dimitri Verhulst is een schrijver met begrip voor de falenden, authenticiteit en een scherpe pen. Hij is goed op weg de Jacques Brel van de Vlaamse literatuur te worden."

Arjan Peters is in De Volkskrant van 27 januari 2006 ook heel positief: "Verhulst kan alles nog steeds begrijpen, al is hij zelf mettertijd een ander leven gaan leiden. In taal kan hij terug, maar die woorden staan in welgekozen zinnen gerangschikt, en die zinnen vormen een roman, en daarmee vergroot hij de afstand tussen toen en nu. Want in Reetveerdegem kon en kan iedereen het af zonder literatuur. Luuk Gruwez heeft ervan verhaald, Walter van den Broeck, Boon en Claus vanzelf, Erwin Mortier en Leo Pleysier weten ervan. Nu heeft ‘onze Dimmetrieken’ zijn eigen versie afgeleverd, waarin de drang om af te rekenen tegengas krijgt van de weemoed, en de snijdende humor het opspelende sentiment er haast onder krijgt maar nooit hardvochtig weglacht. Er blijft spanning, en die verheft de roman uit een onderdompeling in streekromantiek."


Op dezelfde dag (27 januari 2006) schrijft Arjen Fortuin in het NRC in een bespreking van twee Vlaamse romans het volgende: "Niet alleen de compromisloze energie waarmee Verhulst zijn woede de vrije loop laat maakt hem een uitzonderlijk auteur, vooral ook de wijze waarop hij bezig is te onderzoeken wat het betekent om Belg te zijn geeft zijn werk een dwingende kracht. Hier is niet iemand aan het graven in zijn verleden omdat hij verlegen zit om een fraaie anekdote. Ook niet omdat hij meent dat gebrek aan kennis van het verleden de eigen cultuur bedreigt. Hier heeft iemand zich op zijn achtergrond gestort omdat hij moet weten waar hij zijn houvast moet zoeken. En iemand die weet dat de literatuur de enige manier is om weer vaste grond onder de voeten te krijgen."


Op 7 februari 2006 bespreekt Jaap Goedegebuure in het Brabants Dagblad de roman: "Grimmigheid is de uiteindelijke ondergrond van dit Terug naar Reetveerdegem. Dimitri Verhulst (die hoogstwaarschijnlijk verre van identiek is met de romancier van die naam) bedelft het publiek niet alleen onder grollen en grappen, maar keilt ze zo nu en dan ook een lading galstenen naar het hoofd.

Hij is verbitterd om alles wat de vrijgevochten Verhulstbende door moraalridders en fatsoenrakkers is aangedaan, maar niet minder verbitterd wanneer hij, door de jeugdzorg uit huis geplaatst en opgevoed in pleeggezinnen, merkt hoezeer hij vervreemd is van zijn oude milieu.

Tegen wil en dank op pelgrimage naar zijn geboortedorp bespeurt hij een niet te onderdrukken weerzin tegen de oud geworden maar nog altijd stug doordrinkende ooms die zijn zoontje bier voorzetten en vieze woorden leren. Nergens meer thuis, dat is Dimitri’s lot."


Over de schrijver

Dimitri Verhulst werd in 1972 in Aalst geboren en debuteerde in 1999 met de verhalenbundel "De kamer hiernaast". Sindsdien heeft hij heel verschillende paden bewandeld. Voor zijn tweede boek "Niets, niemand en redelijk stil" ontwikkelde hij een bijzondere, extreem literaire stijl. Daarna maakte hij een bocht van (minstens) 90° en schreef een tragikomische voetbalroman, "De verveling van de keeper". In 2003 liet hij zich door het Vlaamse literaire tijdschrift Deus ex Machina opsluiten in het Asielcentrum van Arendonk. Wat hij daar zag, levend tussen de asielzoekers, leidde tot "Problemski Hotel": weliswaar fictie, maar dan fictie waar de harde realiteit bovenop is gaan zitten. Spek naar Verhulsts bek. Zijn taalgebruik is direct, van het genre "laten we een kut een kut noemen". Humor is er ook, nogal wrang en cynisch, maar zeker aanwezig. Het is een manier van overleven. En zoeken we niet allemaal een manier om te overleven?


Marte Jacobs

Posted by Annick Lentacker on August 15, 2019 at 8:30 AM Comments comments (0)


https://www.scholieren.com/verslag/boekverslag-nederlands-marte-jacobs-door-tim-krabb-64729


Gebruikte editie

Eerste druk: oktober 2007

Gebruikte druk: 1e

Aantal bladzijden: 166

Uitgever: Prometheus, Amsterdam


Gegevens voorkant

Er is slechts een gele stofomslag en de afdruk van de titel. Niettemin een mooie gebonden uitgave, waar de naam van het meisje in de echte kaft is uitgespaard.


Genre

Psychologische roman over een alles omvattende maar onbereikbare jeugdliefde.

Krabbé heeft een nieuw gouden ei gelegd: Marte Jacobs

Met de kleine en compacte roman over een onmogelijke jeugdliefde heeft Tim Krabbé

m.i. meteen zijn beste roman tot nu toe geschreven. Waar zijn eerste “gouden ei” nog steeds de nummer 1 is van de literatuurlijsten op scholen, zal plaats gemaakt moeten worden voor het tweede gouden ei, de nieuwste roman van de schrijver.

Het universele idee van een onbereikbare liefde uit iemands jeugd is zo mooi en integer beschreven dat het een plaats verdient op elke lijst van de eindexamenkandidaten. Op prachtige beeldrijke wijze laat Emile Binnenbaum, de jonge dichter, zien wat er zo bijzonder is aan het kleine meisje Marte.

Stom dat hij zich een beetje Petrus toont en niet voor de ware liefde uitkomt. Maar de originele verpakking van zijn liefde levert tenminste een prachtig stukje poëzie op. Wat was ik als lezer nieuwsgierig naar de opzet en de inhoud van dat gedichtje dat als een rode draad door de roman loopt. Menig schrijver zou het hebben afgedrukt, maar door het niet te doen maakt Krabbé de lezer nog nieuwsgieriger naar iets wat hij nooit te weten zal komen. Dat is vakmanschap. Maar ook zullen vele lezers het gevoel van die onmogelijke jeugdliefde met zich meedragen. Jammer voor hen heeft het bij de meeste niet geleid tot een glanzende dichtersloopbaan. Toch zullen er op verlaten zolderkamers vaak gedichten zijn samengesteld met gevlekte woorden van het traanvocht.

Ik kan nog maar een ding zeggen tegen de eindexamenkandidaten van havo en vwo. Vergeet het gouden ei van Krabbé en richt je op de onmogelijke jeugdliefde Marte Jacobs. Wolter Noordhoff zal dit zeker in een [Top] lijsterserie gaan opnemen. Ondanks de geringe lengte (166 bladzijden op een fraaie bladspiegel, waardoor je het boek snel uit hebt)

verdient Marte Jacobs een waardering van 3 punten.


De flaptekst

Er was een moment waarop ze allebei alleen aan de kant zaten en elkaars blik opvingen. Ze had een soort ernstige spot in haar blik, die hij niet eerder had gezien. Ze werd natuurlijk ook ouder, ze wist meer van zichzelf. Ze knikten en lachten even. Maar Emile ging niet naar haar toe. Haar rol in het toneelstuk was te klein geweest om haar ermee te kunnen complimenteren, en hij kon ook niet met haar gaan dansen. Een zesdeklasser met een eersteklasser _ zoiets bestond niet. De hele school zou gonzen van de vraag wat dat te betekenen had.’

De ‘zij’ in bovenstaand fragment is Marte Jacobs, het mysterieuze en ongrijpbare meisje om wie alles draait in de zwartromantische, ontroerende nieuwe roman van Tim Krabbé. De jonge en succesvolle dichter Emile Binenbaum is verliefd op haar, eerst zonder het zelf te weten en op afstand, maar al spoedig met de bedoeling haar meer te laten zijn dan de bezielster van zijn beste gedicht. Het is het begin van een bijzondere vriendschap tussen twee geestverwanten, die voorbestemd lijken om de rest van hun leven te delen.

Met Marte Jacobs schept Tim Krabbé een uniek personage in de Nederlandse letteren. Marte Jacobs is een prachtige roman gecomponeerd door een meesterverteller.


Structuur en verhaalopbouw

De roman is onderverdeeld in zeven getitelde hoofdstukken. Krabbé is een meester in het construeren van verhalen. In het eerste en het laatste hoofdstuk worden we in het verhaal-Nu geplaatst, waarbij het zevende hoofdstuk enkele maanden na het eerste hoofdstuk speelt. In het eerste hoofdstuk wordt de naam van Marte Jacobs aan de hand van een foto opgeroepen bij de reünie van oude vrienden. Dat geeft de verteller de gelegenheid om in vijf volgende hoofdstukken over zijn ontmoetingen met zijn grote jeugdliefde Marte Jacobs te vertellen. In het zesde hoofdstuk geeft hij aan dat dit de laatste keer was dat hij haar zag. In het zevende vertelt hij de afwikkeling van het verhaal door in het Verhaal-Nu over de publicatie van de roman van zijn vriend Reiff te vertellen. In dat boek wordt het einde van Marte Jacobs beschreven. Eigfenlik heeft Marte Jacobs dus de structuur van een kadervertelling (raamvertelling) : het verleden wordt ingeklemd tussen twee delen van het heden.

Zo wordt het een opening in handeling. Het einde is gesloten: Emile Binnenbauw weet wat er met Marte is gebeurd en wat ze voor hem heeft betekend.


Perspectief

Het personaal perspectief (hij-verteller) in deze korte romen berust bij de dichter Emile Binnenbaum. In het kader van het heden (1e en laatste hoofdstuk) vertelt hij in de tussenliggende hoofdstukken over zijn ontmoetingen met zijn jeugdliefde Marte. We zien alle gebeurtenissen worden beschreven door Emilie: we leren zijn gevoelens voor Marte kennen , zijn fantasieën. Dat perspectief is tot het einde toe door de schrijver volgehouden.


Titelverklaring

De titel hoeft geen nadere uitleg


Tijd en decor

Er worden geen concrete jaartallen genoemd in de roman. De eerste keer dat Emile Binnenbaum Marte ziet, is hij zestien jaar oud en zij negen jaar. De hoofdsfiguur is vijf en twintig wanneer hij Marte voor de laatste keer ziet. Dat gedeelte speelt zich af in de zestiger jaren gezien de gegevens van de tijd. Daarna pleegt Marte op achttienjarige leeftijd zelfmoord en 35 jaar later komt zijn vriend met onthullingen in zijn roman “Het Meisje van mijn jeugd” Dan is de verteller zestig jaar. Dat gedeelte speelt zich dus af in het begin van de 21e eeuw. Kortom, de roman omvat een periode van het einde van de jaren vijftig (wanneer Emile zestien is) en het begin van de 21e eeuw. Krabbé is zelf geboren in 1943. Dat zou betekenen dat hij eind jaren vijftig zestien jaar is. Hij heeft al eens in een afgegeven interview dat er sprake is van een autobiografisch gegeven met betrekking tot een jeugdliefde.

Nadat de eerste ontmoeting in Schoorl is geweest waar Marte en Emile samen de tovervoorhoede vormden, spelen de andere ontmoetingen tussen hen zich af in Amsterdam.


Samenvatting van de inhoud

1. Twee woorden

Emile Binnenbaum is dichter weliswaar succesvol, maar er worden niet zo veel gedichtenbundel verkocht. Hij koopt de boeken van zijn klasgenoot Willem Reiff, die dikke boeken schrijft die goed worden verkocht. Toch snapt hij niet dat lezers zich er door heen kunnen worstelen. Ze waren zes jaar klasgenoten geweest op het Amstel Lyceum en met nog twee andere vrienden Leo en Henk waren ze eens van plan geweest om naar Spanje te liften, maar veel verder dan Baarn waren ze niet gekomen. ’s Avonds was Emile met een heel jong meisje een knakworst gaan eten. Leo was later bij een auto-ongeluk om het leven gekomen en Henk was een succesvol directeur geweest die voor een heleboel geld zijn bedrijf heeft verkocht, waarna hij een reünietje uitschrijft voor de vrienden. Emile gaat er heen, weet dat ook Willem Reiff zal komen en weet dat er zeker twee woorden worden genoemd bij het weerzien: “knakworst”en “Marte.” Wanneer ze ’s avonds bij elkaar zijn, komt het fotoboek op tafel. Er is een foto bij van het schoolfeest waarop ook Marte te zien is. Het was tijdens de reünie ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan. Emile wil eigenlijk “Marte”in het gezicht van Willem Reiff zeggen. Maanden later wordt hij nog meer verrast wanneer hij hoort dat Willem reiff een boek heeft gepubliceerd met de titel “Het meisje uit mijn jeugd.”

Emile en Willem zijn op dit moment in het verhaal ongeveer 60 jaar.


2. De tovervoorhoede

De zestienjarige Emile is in Schoorl op het feestje van een vriend van zijn ouders. De kinderen moeten gaan spelen in een duinpan. Ze gaan voetballen. Emile is niet zo’n goede voetballer, maar hij wordt ingedeeld in het team met een negenjarig meisje Marte. Die springt als een giraffe, zo dartelt ze en hij wordt geïnspireerd door haar. Ze vormen samen en maken vele doelpunten. In de rust liggen ze bij elkaar in het gras. Natuurlijk is Emile veel ouder dan zij, maar hij is erg tot haar aangetrokken. Ze weet niet dat ze met links schiet. Dat vindt ze heel bijzonder: rechtshandig en linksvoetig. Aan het einde van de avond komt er een meisje (ouder zusje, denkt Emile) Marte ophalen.


3. Pasgeboren girafje

Weer enkele jaren later is Emile achttien jaar en op school ziet hij de brugklasser Marte komen. Hij herkent haar onmiddellijk. Emile is eindexamenkandidaat en het is “not done”om je met brugklassers bezig te houden. Hij heeft ook nog een zekere reputatie op school, want hij is redacteur van de schoolkrant en hij levert zelf veel bijdragen. Hoewel Marte niet knap is, nog lang geen sexy uiterlijk heeft, is hij weer direct weg van haar. Op school doet hij pogingen om haar tussen de lessen steeds te zien. Ook schrijft hij in de schoolkrant een gedicht” Pasgeboren girafje . Via de metafoor van het girafje dat wankel op zijn benen staat schrijft hij eigenlijk een ode voor Marte. Hij krijgt diverse complimenten en het zal later zijn bekendste gedicht blijven. Marte speelt een rolletje in een toneelstuk. OP een schoolfeest danst hij met het stuk van de school Thérèse. Daar is iedereen jaloers op. Hij laat een keer tegen Willem Reiff uit zijn mond vallen dat hij een meisje uit de brugklas leuk vindt. Hij wijst haar aan, maar hij krijgt er spijt van, want Willem noemt haar spottend”een platvis.”

Het is op school een onmogelijke liefde tussen een zesdeklasser en een brugklasser. Emile ziet nog dat ze goed kan tekenen: een hondje.


4. Iedere keer

Drie jaar later studeert de 21-jarige Emile (eerst Nederlands daarna psychologie) In de stad ziet hij de 14-jarige Marte met een aantal vriendinnen in de bioscoop. Eigenlijk ziet ze er qua kleding niet uit, maar hij zoek toch contact met haar. Het weerzien is hartelijk en ze spreken af op de plek waar ze afscheid hebben genomen. Dat zal de rode draad in veel ontmoetingen zijn tussen hen. Steeds spreken ze af op de plek waar ze de laatste keer afscheid hebben genomen. Het worden iedere keer zogenoemde kronkeltochten: ze bezoeken alles, bekijken alles, bepraten alles met elkaar. Zo vertelt Marte altijd zijn dromen aan Emile. In één ervan staat ze in een lange rij alfabetisch op de dood te wachten. Maar ze laat in de droom de J vallen en dan heet ze ineens Acobs en dan mag ze voorin de rij gaan staan. (Het zal een voorspellende of een symbolische droom blijken te zijn) Intussen denkt Emile steeds meer na over zijn verhouding met Marte. Ze is nog maar veertien jaar, lichamelijk nog nauwelijks ontwikkeld en hij wil haar wel zoenen, maar heeft het nog steeds niet gedaan. Bij de laatste keer dat ze elkaar zien, fantaseert hij over de kus die haar zal geven.

Intussen weet Emile dat het meisje in de duinen niet het zusje maar de moeder van Marte was. Die was heel jong moeder geworden en is eigenlijk een nymfomane. Ze wordt steeds verliefd op mannen, met wie ze gaat samenwonen. Soms moet Marte mee, maar ze mag ook wel eens bij haar nare oma in Amsterdam blijven.

Omdat Emile in de stad een bekende dichter is geworden, mag hij optreden in een poëziefestival in Walhalla ( Paradiso?) Natuurlijk doet hij het beroemde gedicht “Pasgeboren girafje.” Hij ziet dat Marte in de zaal zit en voelt zich één met haar. Zijn mooie vriendin Thérèse is ook in de zaal. Die weet niets van het bestaan van zijn relatie met Marte af. Na het festival lijken uitgevers bereid te zijn het werk van Emile uit te geven. Hij gaat met Thérèse op vakantie naar Noorwegen. Daar denkt ze dat ze zwanger is geworden, maar op de laatste dag van de vakantie is ze gelukkig ongesteld geworden. Een dag later maakt ze het uit. Bij thuiskomst liggen er twee brieven: een van een uitgever en één van Marte. Daarin zegt ze de laatste afspraak af.


5. Het honderdjarig bestaan

Het Amstel Lyceum viert zijn honderdjarig bestaan met een reünie. Emile geeft zich op in de hoop er Marte weer te ontmoeten. Hij is inmiddels 25 jaar, Thérèse is getrouwd en Willem Reiff wil ook wel naar de reünie komen. Eerst ziet hij Marte niet, maar dat komt omdat ze in het feestcomité zit. Ze is er druk mee bezig en heeft in het begin weinig tijd voor hem. Daarom danst hij met zijn oude vriendin Thérèse, maar uiteindelijk danst hij toch tot in de late uurtjes met zijn grote liefde. Het lijkt een beloftevolle avond te worden en hij weet bijna zeker dat hij nu wel zal kunnen zoenen. Maar als er wat reüniegangers voor de school blijven hangen en Marte en hij een beetje besluiteloos op elkaar wachten, komt popie-jopie Willem Reiff aanzetten en hij neemt Marte mee.


6. Het Tweede gedicht

Emile is woedend en verdrietig tegelijk. Dat Willem hem dat kon aandoen, maar ook dat Marte met Willem meeging, vindt hij onbegrijpelijk. Willem heeft zelfs gevraagd om bij hem langs te komen, want hij wil van de relaties van Emile gebruik maken omdat hij nu zelf ook aan het schrijven (van verhalen) begonnen is. In de kamer van Reiff moet Emile er niet aan denken dat Marte hier enkele dagen gelden heeft liggen vrijen met Willem. Dat is een onverdraaglijke gedachte. Omdat hij weet dat Marte zijn carrière volgt, wil hij een een tweede gedicht voor haar schijven. Het gaat over een man en een vrouw die in een woestijn staan totdat er een man op een motorfiets komt die het meisje mee grist. Opvallend zijn haar wapperende benen. Hij vindt het gedicht mooi en denkt dat Marte de symboliek wel zal begrijpen. Maar de redacteur van het tijdschrift wil eerst niet plaatsen. Hij heeft betere gedichten gezien : als concessie brengt Emile toch een verandering in de titel aan: het wordt toch “wapperende benen.” Zo gauw het zaterdags in de krant staat, verwacht hij dat Marte zal reageren, dat ze zal beseffen dat hij van haar houdt. Maar ze komt niet en ten einde raadt belt Emile die avond maar een ander vriendinnetje.


7. Een meisje uit iemands jeugd

In de krant ziet Emile een advertentie dat Willem Reiff weer een nieuwe roman heeft. De foto van Marte staart hem aan. Het boek heet “Een meisje uit mijn jeugd”en zal spoedig verschijnen. Emile weet intussen dat Marte op 18-jarige leeftijd zelfmoord heeft gepleegd : hij verneemt dat toevallig tijdens een vakantie in Joegoslavië. Maar verder weet hij er niets over en gaat zijn vriend een boek over haar schijven. Hij is van slag. Zal hij er trouwens zelf in voorkomen? Ze hadden er samen altijd over gezwegen. Binnenbaum heeft inmiddels wel 1000 gedichten geschreven, maar hij wordt nog steeds gerefereerd aan zijn “Pasgeboren girafje”. Hij is de enige van het poëziefestival in Walhalla die was blijven publiceren. Nu lag er een verzoek van een speeltuinvereniging om een gedicht voor de opening te schrijven, maar hij voelt er niet veel voor.

Zoals met alle boeken van Reiff gaat hij op weg om het te kopen. Onderweg komt Marte naast hem lopen. (In zijn verbeelding: ze houden een gesprek.) Marte is verontwaardigd dat Reiff een boek over haar geschreven heeft. Ze zegt dat ze het meisje uit Emiles jeugd was. Ook vertelt ze hem dat ze begrepen had dat Pasgeboren Girafje voor haar geschreven was.

Emile koopt het boek en kan niet wachten met lezen. Willem vertelt in zijn roman over het meisje M* dat hij op de reünie heeft opgepikt. Hij had haar op die avond ontmaagd en daarna was hun relatie alleen op seks gebaseerd. (het waren “neukmarathons.” Pure lichamelijke liefde, ze had verder nooit iets over haar zelf losgelaten. Willem had haar nooit kunnen krijgen. OP de 85e dag van hun relatie komt M* naar Willem: ze heeft een ananas meegenomen. Terwijl hij bezig is met het eten, leest zij d e krant. Willem neemt onverwachts een foto van haar. Op dat moment beseft M* dat ze er een einde aan wil maken: eerst aan de verhouding met Willem en daarna aan haar leven. Ze hangt zich op in de badkamer.

Emile vindt het wel een goed boek. Hij rekent terug en de dag dat Marte zich ophangt is precies de dag nadat zijn “Wapperende benen” werd gepubliceerd. Had ze de symboliek begrepen en beseft dat ze nooit met Reiff had moeten meegaan.

Hij beseft dat hij geen begenadigd dichter is, maar dat de goden hem en Marte hebben samengebracht, waardoor hij tenminste één mooi gedicht heeft kunnen schrijven.

Hij zou de ware toedracht nooit onthullen en hij zou het gedicht voor de speeltuin gaan schrijven. Hij loopt er zelfs langs om inspiratie op te doen. Hij zou weer een gedicht gaan schrijven: het vertaalwerk waarmee hij geld verdient, kan wel even wachten.

Want dichter, dat was wat hij was. Dat had Marte Jacobs hem gemaakt. Zolang hij gedichten schreef, waren ze samen. [ slotzin op blz. 166]


Thematiek en symboliek

“Marte Jacobs “is een prachtige compacte roman over een onmogelijke liefde. De in zijn jeugd veel oudere Emile ontmoet een negenjarig meisje voor wie hij meteen een goed gevoel heeft. Ze spelen samen in een voetbalteam en dat geeft veel synergie, want Emile kan zelf niet zo goed spelen. Het is liefde op het eerste gevoel. Later ontmoet hij haar weer in een situatie die weeronmogelijker is geworden: hij is eindexamenleerling en die kan zich nooit ophouden met een eersteklasser. De reactie van zijn vriend Willem is dan ook dat ze “een platvis”is. Maar hij schrijft in die periode een prachtig gedicht over een pasgeboren girafje. Daaraan deed ze hem denken toen ze met hem voetbalde. Marte is zijn muze. Hij blijft haar later telkens weer ontmoeten, maar ook dan is het nog een onmogelijke liefde: ze is veertien jaar en Emile heeft een vriendin Therese met wie hij natuurlijk ook een seksuele relatie heeft. Hij verzwijgt Marte voor zijn vriendin. Toch komt het in die periode é’’en keer tot het ware samenzijn in platonisch opzicht. Bij een poëziefestival met de symbolische titel Walhalla voelt Emile zich in het paradijs, wanneer hij Marte in de zaal ziet bij het voorlezen van zijn mooiste gedicht. Wanneer zijn vriendin Therese eerste wel en daarna weer niet zwanger blijkt, eindigt ook die relatie, want tussen hen is er geen sprake van liefde , maar meer van lichamelijkheid. Hij ontmoet Marte dan op de reünie van school. Het leeftijdsverschil is nu niet meer relevant: z eis bovendien een sexy meid geworden. Hij krijgt haar zelfs op de dansvloer en alles lijkt erop alsof hij haar eindelijk kan zoenen. Hij weet dat dat het begin kan zijn van meer. Maar nu is er ineens het noodlot in de persoon van Willem Reiff die haar wegplukt uit zijn fantasie. Reiff voelt niets voor haar behalve ordinaire seksgevoelens. Marte wil ook alleen maar seks met hem. Maar op een dag als het tweede gedicht in de krant verschijnt, beseft ze dat het niet kan voortduren. Ze maakt een einde aan haar leven. De ware liefde is onmogelijk gebleken. Ware liefde is nooit alleen op seksualiteit gebaseerd. Ware liefde heeft kenmerken van een platonische liefde, maar toch is het voor Emile niet genoeg: hij wil haar wel kussen en zelfs fantaseert hij over seks met haar. Steeds komt er echter iets tussen: in de eerste ontmoeting de moeder van Marte, in de schoolfase het idee dat een zesdeklasser niets met een brugklasser kan aanvangen, in de periode dat ze veertien is, zit Therese als een voetangel in de relatie en op het enige moment dat er iets had kunnen ontstaan, grijpt Willem Reiff haar van hem weg, wat fatale gevolgen heeft. Zo blijft de liefde van Emile voor Marte weliswaar een oprechte maar toch ook en onmogelijke liefde. Ia de boodschap van Krabbé dat Emile toch wat voortvarender had moeten optreden: dat hij meer initiatief had moeten nemen. Of wil de schrijver aantonen dat de poëzie (en literatuur) alleen kan bestaan wanneer er een muze is die verder ongrijpbaar blijft. Is het hebben van de zaak - - ook in de liefde- het einde van het vermaak. Welk man (welke vrouw) blijft niet met tedere gevoelens rondlopen voor zijn eerste echte grote liefde van zijn jeugd. Waarom is het leven dan zo tragisch dat die liefde vaak onmogelijk blijft? Televisieprogramma als “Memories” ontlenen er hun bestaan aan. Soms wordt ook aangegeven dat het leven waarschijnlijk een andere wending zou hebben genomen.

Emile overwint zijn nare gevoelens na het lezen van het boek van Willem en beseft dat hij een dichter is geworden dankzij Marte. Hij mag verder spelen in de tuin van de poëzie en zijn eerste gedicht zal dan ook een gedicht voor de buurtvereniging en de speeltuin zijn. Met zijn roman over Marte Jacobs heeft Krabbé zijn beste roman tot nu toe geschreven over een zo algemeen gevoelde emotie die diep in elk mens leeft. Wie dat weet te raken, verdient een prijs. Hopelijk voor Krabbé komt hij gewoon van de lezer.


Recensies

Arjan Peters in De Volkskrant van 28 september 2007 is positief over de roman.

Het raadsel Marte Jacobs wordt in de korte roman Marte Jacobs uitgespaard door de woorden die Emile en Willem in dicht- en romanvorm aan haar hebben gewijd. Zij was een licht en droevig wezen, door niemand gekend, een ster die kort straalde, de satellieten met vragen achterlatend. Iemand in wie geen ontwikkeling zat.

Door in gedachten bij haar te blijven, bewijst Binenbaum zijn trouw, denkt hij zelf.

Romantische aanstellerij, denkt de lezer, want heel die liefde bestond alleen in zijn hoofd. Zo bezien is Marte Jacobs niet alleen een gethematiseerde frustratie van de schrijver Krabbé, maar een afrekening met álle schrijverij, die de ware wonderen en tragiek alleen maar ijdel kan omcirkelen.

Knap gedaan weer, en ook een tikje pijnlijk, vooral voor de morsdode aanleiding van dit alles, de muze van een evergreen, het Girafje, het Meisje, met die benen die voor altijd onvolgroeid blijven, verstard in de belofte


Op 4 oktober 2007 in Het Parool vindt Alle Lnsu dat Krabbé een geweldige roman heeft geschreven. Tim Krabbé is terug! Tien jaar na De grot, dat zich met gemak kon meten met zijn beroemde klassiekers Het gouden ei en Vertraging, heeft hij een roman geschreven waarin hij zichzelf overtreft. [….]Het lijkt wel alsof Krabbé hier revanche heeft willen nemen op Kathy's dochter. Hij houdt de pathetiek verre van zich, en laat de ontroering bij de lezer. In gebeitelde zinnen vertelt hij heel geserreerd de geschiedenis van een nooit geconsumeerde liefde. Met veel invoelingsvermogen verbeeldt hij de woelige binnenwereld van de onvervalste romanticus Emile.

Hij laat zien wat literatuur kan zijn: de triomf van de verbeelding over het echte leven. In de slotalinea laat hij Emile denken: 'Want dichter, dat was wat hij was. Dat had Marte Jacobs hem gemaakt. Zolang hij gedichten schreef, waren ze samen.'


De schrijver over zichzelf

Geboren 13 april 1943 in Amsterdam, waar ik nog woon. Eindexamen 1960 HBS-B aan het Spinoza Lyceum. Leef sinds 1967 van de pen.

Ik ben getrouwd geweest met Liz Snoijink, en heb een zoon Esra. Mijn vader en grootvader waren bekende schilders; mijn moeder was filmvertaalster en schrijfster. Ik heb wat geacteerd, en een tijdje psychologie gestudeerd aan de GU in Amsterdam, maar van beroep ben ik altijd schrijver geweest. Mijn debuten als schrijver en als journalist vielen samen in 1967.

Mijn romans zijn in 16 talen vertaald, en vier ervan zijn verfilmd. 'Spoorloos', naar Het Gouden Ei, waar ik zelf het scenario voor schreef, won het Gouden Kalf 1988 voor de beste Nederlandse film. Hij wordt nog steeds gedraaid in Amerika, en in 1993 werd er daar een remake van gemaakt onder de titel 'The Vanishing.' Niet zo goed als het origineel.

Naast mijn romans, verhalen en journalistieke werk heb ik vele artikelen en een paar boeken over schaken geschreven. Van 1967-1972 hoorde ik bij de beste twintig schakers van Nederland. Ik heb een aantal schaakproblemen en studies gecomponeerd. Zie ook mijn schaak-site.


Bibliografie

-- De werkelijke moord op Kitty Duisenberg (1967, roman)

-- Flanagan of het einde van een beest (1970, roman)

-- Fischer (1972, schaak-biografie)

-- 15 goede gedichten (1973, gedichten)

-- Red Desert Penitentiary (1975, roman)

-- De Stad in het Midden (1978, verhalen)

-- De Renner (1978, roman)

-- 43 Wielerverhalen (1984, verhalen)

-- Het Gouden Ei (1984, roman)

-- De Man die de Babson Task wilde maken (1986, schaak-essay)

-- De Matador (1991, verhalen)

-- Vertraging (1994, roman)

-- De Paardentekenaar (1995, verhalen)

-- De Grot (1997, roman)

-- Kathy's dochter (2002, roman)

-- Drie Slechte Schaatsers (2004, novelle)

-- Een goede dag voor de Ezel (2005, roman)

-- Marte Jacobs (2007, roman)


De leraar

Posted by Annick Lentacker on August 15, 2019 at 8:25 AM Comments comments (0)


https://www.scholieren.com/verslag/boekverslag-nederlands-de-leraar-door-bart-koubaa-68098


Feitelijke gegevens over het boek

Gebruikte druk: 1e

Verschijningsdatum 1e druk: april 2009

Aantal bladzijden: 283

Uitgegeven door: Querido te Amsterdam


Beschrijving van de cover

Het gezicht van een oude grijze man met kleine stoppelbaard staat op de kaft van het boek: zijn lege ogen staren je aan. Het lijkt een leraar van een bepaalde leeftijd te zijn, maar het is geen leraar. Het is een afbeelding van Albert Fish, een Amerikaanse seriemoordenaar die in 1936 werd terechtgesteld. Dat verhaalelement wordt aan het einde van de roman verklaard.


Genreaanduiding van het boek

De leraar is een psychologische roman over een Vlaamse leraar die wraak neemt op een van zijn leerlingen.


De flaptekst

De Kraai is leraar Nederlands op een school voor beroepsonderwijs. Binnen een paar jaar zal hij van zijn welverdiende rust kunnen genieten. Als hij echter het slachtoffer wordt van een uit de hand gelopen grap, slaan bij hem de stoppen door – of is het zijn ware aard die naar boven komt? Met De Leraar schreef Bart Koubaa een verontrustende en spannende roman die de westerse moraal onderuithaalt, een Bint van de eenentwintigste eeuw. Wat begint als een zelfportret van een uitgebluste en verzuurde docent eindigt met een bikkelharde confrontatie die de lezer verdwaasd achterlaat.


Structuur en/of verhaalopbouw

Het verhaal wordt beschreven in 120 korte hoofdstukken. Hoofdstuk 119 is slechts 1 zin en hoofdstuk 120 is alleen een notenbalk. In deze hoofdstukken vertelt leraar De Kraai (bijnaam) over een incident op school en de gevolgen die daaruit voortvloeien. Hij doet dat afwisselend in de o.t.t. en in de o.v.t. Hij spuwt in het verhaal o.a. zijn gal over de ontwikkelingen in het onderwijs. Impliciet zit er in het verhaal het motief van een incident dat op school heeft plaatsgevonden. Dat wordt pas aan het einde van het verhaal van De Kraai meegedeeld. Daarna vlucht hij naar Amerika. Ook daar gebeurt iets verschrikkelijks.

Dan neemt een auctoriale vertelinstantie de pen over. In een aaneenschakeling van krantenberichten wordt uitgeweid over het kannibalisme dat het thema van de roman is. Er wordt een relatie gelegd tussen de moordzaken van de Kraai en die van de Amerikaanse misdadiger Albert Fish.

Door de korte hoofdstukken (1-120) krijgt de roman een heel strak tempo.

Er zijn enkele heel korte hoofdstukjes waarin in cursief gedrukte woorden de komst van “De Kraai”wordt aangegeven. Later blijkt dat die hoofdstukjes te maken hebben met het “voorval”dat als een rode draad door de vertelling loopt.

Bij het vertellen van de roman maakt Koubaa veel gebruik van vooruitwijzingen die later een invulling krijgen. Die worden heel subtiel in de tekst vermeld en het zijn aanwijzingen die de lezer aan het denken moeten zetten wat er met “de leerling”en “het voorval”bedoeld kan worden.


Enkele voorbeelden:

- De vele vooruitwijzingen naar het “ voorval” {het incident dat blijkbaar op school is gebeurd ): het voorval zelf wordt op pas op blz. 234 en 235 ingelost

- Een heel subtiele verwijzing naar de manier waarop wraak zal worden genomen staat op blz. 91 : “ Mijn wang kunnen ze vergeten en mijn vuist zullen ze niet in hun gezicht krijgen, ik ga subtieler te werk: naast het verplichte Nederlands had ik destijds chemie als bijvak. Deze vooruitwijzing wijst naar de manier waarop hij uiteindelijk met zijn leerling omgaat: hij spuit hem in een winterslaap.

- In ho 13 wordt verwezen naar een verhaal over een Japanner die 24 dagen heeft overleefd door in een winterslaap te vallen. Wanneer hij wakker wordt, herinnert hij zich ….. Dat element van winterslaap speelt door de gehele roman een rol. Zo laat De Kraai er een taaloefening mee maken door zijn leerlingen en uiteindelijk brengt hij ook de leerling Mustafa S. in de winterslaap.


Gebruikt perspectief

Er is in de eerste 120 hoofdstukken sprake van de ikverteller De Kraai, een leraar Nederlands van 55 jaar in het Vlaamse beroepsonderwijs. Hij vertelt afwisselend in de o.t.t. en in de o.v.t.

Na zijn verhaal wordt de afloop van de geschiedenis verhaald in een krantenbericht over de zaak. Dat geeft de zaak een officieel karakter. Er is dan eigenlijk sprake van een alwetende verteller.


De tijd van het verhaal

Het verhaal-Nu speelt zich af in de 21e eeuw. Met tekstgegevens kun je bepalen wanneer de roman speelt. De Kraai zegt dat zijn vader hem verlaten had toen hij zes jaar oud was. Dat was op de dag dat de Russen hun Spoetnik II- raket hadden gelanceerd. Dat blijkt in november 1957 te zijn geweest. Dat houdt in dat de Kraai in 1951 geboren is. In de roman wordt hij 55 jaar. Dat leidt tot het gegeven dat de roman dus in het jaar 2006 speelt. In hoofdstuk 196 wordt nog gezegd dat hij Bush zou willen neerknappen. Dat betekent dat die nog president van de VS is. Die gegevens zijn dus niet met elkaar in strijd.

Maar een ander bewijs is nog dat De Kraai in het laatste deel van de roman een brief schrijft aan de moeder van de leerling die hij heeft vermoord. Die brief verhaalt over het voorval dat op vrijdag 6 oktober zou hebben plaatsgevonden. In 2006 valt 6 oktober inderdaad op een vrijdag, zodat we zouden kunnen vaststellen dat het verhaal-nu in 2006-2007 speelt. De Kraai wordt een jaar later in de VS opgepakt. Dat zou dus begin 2008 kunnen zijn.


De plaats van handeling

De plaats van handeling is het huis en de school van de leraar de Kraai in een grote Vlaamse stad. (Antwerpen) Aan het eind vertrekt hij naar de Verenigde Staten dicht bij de plek waar zijn verdwenen vader naar toe zou zijn verhuisd.


Samenvatting van de inhoud

De bijna 55-jarige leraar Nederlands De Kraai (zijn bijnaam) staat op een school voor middelbaar beroepsonderwijs (automechanica) in Vlaanderen. Hij staat al 27 jaar voor de klas. Hij vertelt in het begin cynisch over het onderwijs in Vlaanderen. Daarbij schuwt hij geen kritiek over het niveau van bijvoorbeeld de Turken en Marokkanen in zijn klas. Hij onthult ook dat er een “voorval”is geweest. Ook geeft hij al incidenteel aanwijzingen over “zijn leerling” die hij een speciale opvoeding wil geven. Een van zijn hobby’s is de zwart-wit fotografie.

De demente moeder van De Kraai die in een tehuis is opgenomen, sterft. Hij vertoont niet veel verdriet. Hij onthult aan de lezers dat zijn vader hem heeft verlaten toen hij zes jaar oud was en dat hij daarna met zijn moeder is achtergebleven.

De Kraai spuwt zijn gal verder over het onderwijs en hij vertoont racistische trekjes. Zo maakt hij een islamitische leraar min of meer belachelijk. Die heeft hem bekritiseerd om de inhoud van een dictee. Intussen bekijkt De Kraai films en foto’s en bewerkt hij ze op de computer. Herhaaldelijk staat de tekst in het vertekenen van de waarheid op welke manier dan ook. Hij laat zich in steeds andere bewoordingen uit over de leerling die blijkbaar in de kelder van zijn woning zit opgesloten. Die probeert hij als het ware een nieuwe opvoeding bij te brengen.

Intussen wordt De Kraai 55 jaar en hij krijgt van zijn leerlingen een fles whisky aangeboden. De opmerkingen die de leraar over zijn leerlingen maakt zijn behoorlijk racistisch en discriminerend. Hij bekent intussen ook voor het eerst in zijn leven op een rechtse politieke partij te hebben gesteld (dat zal dus wel Vlaams Blok of Vlaams Belang zijn)

Intussen heeft De Kraai een slecht bericht gekregen van zijn huisarts: hij lijdt aan prostaatkanker en eigenlijk is er niet veel meer aan te doen. Wanneer hij daarna buiten loopt, ontmoet hij een vrouw uit zijn verleden. Die heeft een bericht van zijn moeder gevonden over zijn vader die naar Amerika zou zijn vertrokken. Ze biedt zich duidelijk aan hem aan en hij gebruikt haar dan ook voor een partijtje (anale) seks en laat haar daarna in de steek.

Intussen wordt het steeds duidelijker dat er een jongen in de kelder verborgen zit. Zijn moeder komt de maand achterstallige huur betalen aan De Kraai die over verschillende huizen beschikt. Ze vraagt tijdens het bezoek of ze even mag plassen en later blijkt dat de zoon zijn moeder heeft horen praten. De leraar heeft een luxe ingerichte kamer gemaakt voor de jongen die er televisie kan kijken en over een computer kan beschikken.

Intussen wordt ook duidelijk wat het voorval op school geweest is. De Kraai heeft met zijn leerlingen een toneelstuk dat ze zelf hebben geschreven ingestudeerd. Wanneer hij bij de opvoering voor een zaal met genodigden naar voren wordt geroepen, zetten de leerlingen hem in zijn blote kont door zijn broek naar beneden te trekken. Bovendien zetten de leerlingen de opnamen daarvan in een filmpje op een site die sterk doet denken aan You Tube.

De schoolleiding is “not amused”, maar de Kraai besluit geen aanklacht in te dienen. Hij heeft zijn eigen wraakmethode bedacht. Het wordt dan natuurlijk wel een puzzel waarvan de stukjes in elkaar beginnen te passen. De leraar in de kelder is betrokken bij het voorval op school en het wekt natuurlijk geen verbazing dat dit ook nog een allochtone leerling is. Overigens verwent hij de leerling wel, maar ook wordt duidelijk dat hij seksueel contact heeft met de jongen. (Als hij een bezoek heeft gebracht aan de leerling, wast hij zijn geslacht.)

De Kraai brengt een bezoek aan een landhuis dat zijn geboortehuis is geweest. Er zijn nu andere huurders, maar die gaan op skivakantie. Hij gaat dan het huis binnen en wacht totdat de post komt. Die bezorgt een krant waarin een voorval wordt beschreven van een hart dat op straat is gevonden. Daarna gaat hij opzoek naar een oude partituur die in het huis moet liggen. Op de achterzijde daarvan staat vermeld dat zijn vader in de Japanse bezetting getuige is geweest van het eten van mensenvlees door de Japanners. Dan komt de roman in een stroomversnelling. De leraar spuit zijn leerling in met een vloeistof en hij brengt hem ritueel om het leven. Hij brengt hem in een winterslaap waarover hij steeds heeft gesproken naar aanleiding van een experiment met zijn leerlingen. Vervolgens vertrekt hij naar Amerika dicht bij de plek waar zijn vader zou moeten wonen. Hij gaat een boomhut maken en na een tijdje verschijnt de duivel op zijn ranch. Hij legt aan en schiet hem neer.

(Einde deel hoofdstuk 1-120)

Dan komt het deel waarin de gebeurtenissen worden afgewikkeld in een krantenbericht.

Er is sprake van een zaak van kannibalisme. De leraar A. Jacobs wordt ervan verdacht mensen om het leven te hebben gebracht met de bedoeling ze op te eten. In zijn woning zijn diverse diepvriezers aangetroffen waarin systematisch lichaamsdelen (als hart, nieren en hersenen) zijn opgeborgen. Het hart dat op straat is gevonden, blijkt te worden herkend als dat van de leerling van De Kraai Mustafa S.

Een jaar later is De Kraai opgepakt in de VS, omdat een ontsnapte tiener hem had verraden. Daarna ging het proces van start waarbij de deskundigen het maar niet eens konden worden over de motivatie van de dader. Er wordt gezocht in verlatingsangst, maar het was niet de moeder maar de vader die hem had verlaten. Ook zou het opeten van iets de verdwijning van het kwaad kunnen betekenen. De Kraai geeft aan voor zijn slachtoffers te bidden. Zijn het de gruwelijke sprookjes die zijn moeder hem voorgelezen heeft, is het de kennis van de wetenschap dat zijn vader in Nieuw Guinea kannibalisme heeft meegemaakt? Er wordt ook gesuggereerd dat zijn moeder een kannibaal was en zijn vader vermoord en opgegeten heeft omdat hij haar zou mishandelen.

De krant vermeldt ook dat er correspondentie van de Amerikaanse kannibaal Albert Fish is opgedoken in een boek De Speler van Dostojewski en dat deze brieven De Kraai mogelijk geïnspireerd kunnen hebben. Het is de brief die Fish aan de moeder van één van zijn slachtoffers heeft geschreven. Deze wordt daarna integraal afgedrukt. Deze had verklaard dat hij “just a mania had for writing.”

De Kraai kopieert dat gedrag omdat hij ook een brief aan het huisadres van Mustafa S. heeft gestuurd. Ook die brief wordt afgedrukt in dit deel. Hij vertelt over het lugubere voorval waarvan zijn vader tijdens de Japanse bezetting getuige zou zijn geweest: zijn vriend werd voor zijn ogen om het leven gebracht. Hij had toen ook de hersenen van zijn vriend gegeten in de veronderstelling dat die dan in hem zou voortleven. Vervolgens schrijft hij aan de moeder van de leerling over het voorval op vrijdag 6 oktober op school. Hij beschrijft ook hoe hij de moord ritueel heeft begaan en dat hij hart en andere onderdelen uit het lichaam heeft gesneden. De beelden daarvan zijn op www.klapinhetgezicht.be te zien(de ultieme wraak dus) Hij memoreert aan het einde van de brief bovendien dat de moeder nog steeds een maand huur achter is en of ze dat zo spoedig mogelijk zou willen betalen.

De krant ziet overeenkomsten met de brief van Fish, maar zegt dat De Kraai naast een rituele kannibaal ook een seksuele kannibaal was. Ook zag de Kraai zich als een soort Christusfiguur, die de wereld wilde verbeteren. Er is een verwijzing naar het verhaal van Abraham die zijn zoon moet offeren, wat God op het ultieme moment had voorkomen.

Fish werd veroordeeld voor 15 moorden maar beweerde zelf er meer dan honderd te hebben gepleegd. Er zijn meer verschillen tussen Fish en De Kraai”: de laatste verorberde zijn slachtoffers rauw, waar Fish ze heerlijk bereidde. Zou er ook nog een relatie zijn tussen het feit dat de aan ongeneeslijk prostaatkanker lijdende De Kraai nog zo lang leefde met het eten van rauw mensenvlees. De krant besluit met de feitelijke constatering dat kannibalisme bestaat.


Titelverklaring

“De leraar” hoeft verder geen uitleg.


Motto

De roman begint met een motto van Kafka. Want wij zijn als boomstammen in de sneeuw. Schijnbaar staan zij er bovenop en met een licht duwtje moest je ze eigenlijk weg kunnen schuiven. Nee, dat kun je niet, want ze zijn vast met de aarde verbonden. Maar kijk, zelfs dat is slechts schijnbaar. “

Dit motto geldt ook voor deze roman. Aan de oppervlakte is niet altijd zichtbaar wat in de diepste roerselen van de mens gaande is. De werkelijkheid achter de mensen is altijd een andere. Zo ook met de leraar de Kraai, die zich voordoet als een cynisch en op het onderwijs aan allochtonen uitgekeken leraar en die wraak wil nemen op zijn leerling die hem iets heeft aangedaan. Maar de werkelijke waarheid ligt dieper: ook zonder het voorval op school was De Kraai al een kannibaal. Achter de cynische leraar blijkt een moreel diep afgezakte man te zitten.


Thematiek en interpretatie

Het eten van mensenvlees is het bizarre thema van deze bizarre roman. Daarmee wordt de roman over de leraar in feite horrorliteratuur. Waar het verhaal in het eerste deel van de roman vooral lijkt te gaan over een leraar die cynisch (en soms humoristisch) praat over de ontwikkeling van het onderwijs en de domheid van zijn leerlingen, gaat het bij de vordering van het verhaal over het seksueel misbruik van mensen en sluipen gedachten van de misdadiger Mark Dutroux in het verhaal. Die wordt ook met name een keer in de tekst genoemd. Daarnaast worden de uitingen racistisch en lijkt De Kraai een aanhanger van het Vlaams Blok of Vlaams Belang te zijn.

De manier waarop Bart Koubaa de ontwikkeling in die roman beschrijft is heel erg sterk. Je krijgt in het begin steeds tipjes over “de leerling”en “het voorval” en aan het einde van het eerste deel (hoofdstuk 120) vallen al die puzzelstukjes mooi in elkaar.

De Kraai blijkt een kannibaal te zijn die er een systematische manier van doden op na houdt. In feite is hij niets meer en niets minder dan een psychopaat. De ware motivatie van zijn handelwijze komt ook in het krantenartikel niet boven water (zit het kannibalisme in zijn genen, is hij geïnspireerd door sprookjes en het verhaal dat zijn vader heeft meegemaakt?) Heeft hij Albert Fish willen kopiëren? Is het een laatste redmiddel geweest voor zijn prostaatkanker? Het zijn allemaal vragen die toch ook onopgelost blijven in het tweede deel. Behalve dan dat de constatering er is dat kannibalisme werkelijk bestaat.

De roman verandert dus tijdens het lezen van een roman over een cynische leraar met Bintachtige trekjes (`we zullen de leerling moeten heropvoeden via een stalen discipline’;) in een psychologische roman over een psychopaat die mensenvlees eet. Daar had Bart Koubaa weliswaar geen leraar als personage voor hoeven uit te kiezen, maar het feit dat De Kraai zijn leerlingen van allochtone afkomst wil heropvoeden, geeft hem wel die mogelijkheid. Door de nadruk op het laatste deel verwacht ik dan ook niet dat “ De leraar” een klassieke school bestseller zal worden als “ Bint.” Niettemin is het aardig om beide boeken op je lijst te zetten en vergelijkingen te treffen.

Een motief dat ook steeds terugkeert in de roman is het feit dat er verschillende visies op de waarheid zijn. Oftewel is er wel een objectieve waarheid? Dit motief wordt o.a. verwerkt in de hobby van de leraar die immers zwart-wit foto’s met een fotoprogramma bewerkt. Zo kan hij de waarheid naar zijn eigen hand zeggen.

Een tweede element in dit opzicht is dat hij zijn de donkere kamer heeft aangepast en samen met zijn leerling die hij in de kelder verbergt naar een film van Kurosawa (Rashomon) kijkt. In die film worden de verkrachting van de vrouw en de moord op haar man door verschillende getuigen uit de doeken gedaan. Een houthakker heeft de vrouw gevonden in het bos en verwittigt de politie. De houthakker, de overvaller, de vrouw en de samoerai geven ieder hun versie van de feiten. Omdat de samoerai dood is, doet hij zijn verhaal via een medium. Alle getuigenissen zijn anders. Ik heb hem gezegd dat we hieruit kunnen leren dat de objectieve waarheid niet bestaat. (blz. 22)

Zijn cynische visie op de farmaceutische industrie heeft ook te maken met het verdraaien van de waarheid (blz. 156) “ Gisteren stond in de krant dat industriële sponsors enkel geld geven aan studies die hun goed uitkomen en dat onderzoekers hun stellingen formuleren conform de financiële belangen van de sponsor. Negatieve uitkomsten zien het licht niet. Vooral de farmaceutische industrie is een meesterfoefelaar. Als er vijftien jaar geleden in de klas één tussen zat die af en toe de boel op stelten zette, werd hij bestempeld als een kwajongen of een haantje/de/voorste, tegenwoordig is de diagnose ADHD. De pillen zijn zo licht geworden dat zowat de helft van onze leerlingen Ritaline slikt, interessant voor de economie, en die moet tot elke prijs draaien, anders komt onze sociale zekerheid op de helling en kunnen we de pillen niet terugbetaald krijgen. Verlaag met andere woorden de drempel voor de diagnose- ieder kind dat tegenspreekt of een raam aan diggelen gooit, heeft per definitie ADHD . Verlicht vervolgens de dosis van de pillen en schrijf ze voor.


De belangrijkste motieven in de roman zijn dus:

- Het kannibalisme

- De cynische kijk van een leraar op het onderwijs en samenleving

- Het schoolleven

- Het maken van racistische opmerkingen over allochtonen; discriminatie

- De moeder-zoonverhouding (misschien wel bijna oedipaal nl. afhankelijk van de moeder en een verdwenen vader)

- het Vatersuch-motief: De Kraai gaat naar de VS om zijn vader te zoeken

- De wraak [op de leerling Mustafa S.]

- Seksualiteit (verbonden met het kannibalisme)

- Het verschil tussen fictie en werkelijkheid (de verschillende visies op de werkelijkheid)


Beoordeling scholieren.com

“ De leraar “ is een sterk geschreven roman met een uiteindelijk lugubere inhoud. Voor leerlingen (ondanks de inhoud) een mooie roman om op de literatuurlijst te zetten. Bovendien krijgen ze een goed beeld van het spel van vooruitwijzingen en terugverwijzingen en van de mogelijkheid “ tussen de regels door kunnen doorlezen.”


Verder is een sterk element de cynische stijl waarin Koubaa zijn leraar laat spreken.

Drie voorbeelden daarvan zijn:

- (blz. 93-94) Misschien hebben ouders geen tijd meer voorhun kinderen omdat er afbetaald moe worden, dat is logisch. Kapitalisme is de norm die we de leerlingen moeten meegeven; autochtonen en allochtonen, want met een les over het Laatste Avondmaal help je hen niet vooruit, daarmee komt geen brood op tafel en Christus kon dan wel water in wijn veranderen, een ezel omtoveren in een auto staat bij mijn weten niet op zijn palmares.

-

- (blz. 115) Over de islamitische leraar King Kong op school: “ Ik overdrijf: King Kong is een mooie en een lieve man, alleen zaait hij via zijn schotelantenne haat zonder dat hij het weet. We mogen van geluk spreken dat zijn antenne in het Chinese regenwoud is gemaakt en het af en toe eens laten afweten maar vooral dat hij het grootste deel van zijn publiek liever een nieuwe auto wil in plaats van een heilige oorlog, wat op de keper beschouwd ook geen cadeau is voor een schonere wereld. Maar nogmaals: ik slaap als een bos rozen”.

-

- De derde cynische beschrijving gaat over straatmuzikanten met de kerst. (blz. 144) “Een andere reden waarom ze me overdag , en zeker tijdens de kersperiode, niet op straat zullen zien, zijn de muzikale talenten die het kleingeld uit je zak proberen te kloppen door in het ergste geval met een Leger des Heils-kepie op hun kop Bob Marley te staan coveren en daarbij al zingend en spelend op en neer veren als hun grote voorbeeld, die in geval van nood zijn eigen haar en dat van Che Guevarra opgerookt zou hebben om van de wereld een schonere plaats te maken “


De amusementswaarde voor leerlingen is vooral voor hen die heel nauwkeurig willen lezen of belezen zijn hoog ( 7 à 8) De literaire waarde van de roman is m.i. 3 punten. Ik vind de roman heel geschikt voor een plaats op een vwo-literatuurlijst. Ook belezen leerlingen van de eindexamenklassen havo kunnen de roman nog wel volgen. Voor de mavoscholieren lijkt de roman me te moeilijk.


Relevante recensies

De meeste recensenten zijn erg enthousiast over de nieuwe roman van Bart Koubaa.

Arie Storm in “ Het Parool van 8 april is enthousiast over de roman: De nieuwe roman van Bart Koubaa (1968), De leraar, laat de lezer verdwaasd achter, belooft de flaptekst. Welnu, daar zit ik dan. Voordat ik u deelgenoot maak van mijn ervaring met het lezen van dit boek, nog iets over de buitenkant ervan: op de voorkant van het omslag is van dichtbij een hoofd te zien van een oudere man. Inderdaad, ben ik inmiddels geneigd te denken, dit is de leraar die hier zijn verhaal vertelt. Hij heet A. Jacobs, alias De Kraai: 'Wellicht noemen ze me De Kraai omdat ik zwartglanzend haar heb. Ze hadden me beter De Mol kunnen noemen, maar op een dag werd ik De Kraai gedoopt en zo is het al die tijd dat ik lesgeef gebleven.' Dat klinkt nog wel olijk, leraren met treffende bijnamen, maar dit is wel het laatste gezellige dat deze roman te bieden heeft.[…] Er is de laatste tijd veel vraag naar schrijvers die straatrumoer in hun romans verwerken: actualiteiten, oorlogen, ellende, en dat je dan als schrijver opmerkt dat je daar tegen bent. Thomas Vaessens, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, houdt in zijn onlangs verschenen boek De revanche van de roman een pleidooi voor een dergelijke simplistische romanopvatting. Het lijkt erop dat Bart Koubaa aan die vraag voldoet als hij De Kraai het volgende laat opmerken: 'Als leraar Nederlands zou ik meer Nederlandstalige boeken moeten lezen, maar verder dan de krant kom ik niet. De krant is voor mij ook een beter werkinstrument dan een roman, het kopieert in elk geval gemakkelijker.'

En ja, er zit veel hedendaagse schoolellende in dit boek, die zo uit de krant over lijkt te zijn gelepeld. Toch is dit niet de reden dat De leraar zo'n overtuigende roman is. Meeslepend is dat Koubaa zich werkelijk in een ander heeft verplaatst. Hoe verrot die geest van die ander ook is. Dat is de kracht van literatuur


Jann Ruyters op 11 april 2009 in Trouw : “Onderhuids, nooit hardop, sluipen Dutroux en Vlaams Belang de tekst binnen. Wel hardop, diverse malen zelfs, verwijst de leraar naar de film ’Rashomon’ van Kurosawa, een film over een verkrachting, een film waarin getoond wordt dat dé waarheid niet bestaat, alleen verschillende versies van een gebeurtenis. „De natuur daarentegen zegt dat alle leven één is, en dat is de enige onomstotelijke waarheid die in dit universum geldt”, vindt De Kraai. Op bladzijde 52 is dat nog niet meer dan een gedachte waar je alle kanten mee op kunt, zoals dit boek vol staat met prikkelende zinnen die pas later veelbetekenend blijken.

Tot en met het einde laat de auteur je aan het gissen wat er nu gebeurd is, of het wel echt gebeurd is, waarom het gebeurd is, en wat het betekent dat het gebeurd is. Heel knap laat hij het voorstelbare overgaan in dat wat we niet meer kunnen begrijpen, maar evengoed heeft plaats gevonden. Als niet in deze roman, dan wel in het echt. Het maakt van ’De Leraar’ een wurgend, verontrustend boek, een uitdagende reflectie op onze werkelijkheid, een die je niet meer loslaat.


Edith Koenders in De Volkskrant van 10 april 2009 : Subtiel bouwt Koubaa het drama op, de ik-figuur worstelt met de dood van zijn demente moeder, en met zijn afwezige vader, een beroepsmilitair en dronkaard die naar Amerika vertrok toen hij 6 was. Zelf houdt de leraar niet alleen van een borrel maar ook van een lekker stukje vlees. De maaltijden die hij nuttigt krijgen aan het einde van het boek wel een heel akelige bijsmaak. En dat geldt voor de roman als geheel eigenlijk ook. Tot vlak voor het einde meen je het relaas te lezen van een verbitterde docent, die zich wil wreken op een leerling. De man glijdt langzaam af, dat is wel te begrijpen. Bovendien schrijft Koubaa ontzettend goed.

Maar dan klinkt het slotakkoord en verandert De leraar in een horrorfilm. De Kraai is meer dan ‘die ene rotte appel die de hele mand aantast’, en al heeft zijn evenbeeld in werkelijkheid bestaan, door deze abrupte wending laat Koubaa zijn knap geconstrueerde roman als een kaartenhuis instorten .


In 8Weekly stelt Hannes de Deurwaerder op 10 april 2009 : “ De grote verdienste van Koubaa is dat zijn roman ondanks dat venijn uiterst leesbaar is: je sympathiseert weliswaar niet met de leraar, maar je kunt 'm begrijpen. Dat komt vooral omdat hij de zaken met veel humor weet te verwoorden. Bijvoorbeeld als hij zich heel expliciet tot de lezer richt: 'Waag het niet over me te oordelen zolang ik in leven ben. Ik moet geen lessen moraal van iemand die zijn tijd zit te verprutsen met lezen.' Van een postmoderne sneer gesproken.

De grootste troef van het boek is echter de onderhuidse dreiging. Vanaf de eerste pagina is er sprake van 'het voorval', dat hier en daar ter sprake komt, maar pas helemaal op het einde zijn inhoud prijsgeeft. Daarnaast is er de mysterieuze leerling, over wie de leraar zich besluit te ontfermen, zij het op een manier die meer en meer ongemakkelijk aanvoelt. Gaandeweg, maar ontzettend zuinig, strooit Koubaa kruimeltjes rond die naar het antwoord leiden. Daardoor krijgt het boek bij momenten de allure van een thriller, hetgeen het lezen zeker veraangenaamt. Zeker omdat het verhaal in korte hoofdstukken wordt verteld: het strakke tempo blijft wonderwel van begin tot eind gehandhaafd.

Op de laatste pagina's komt dan het antwoord en het is een mokerslag in het gezicht van de lezer. Je zou geneigd zijn te denken dat de groteske uitkomst van De Leraar het zorgvuldig opgebouwde evenwicht van het boek onderuit zou halen, maar niets is minder waar. Het einde is de oorverdovende oerschreeuw, nadat een boek lang giftige lucht werd ingezogen. De Leraar geeft een harde, maar prachtige les.


Op de site van Pink Bullets van 23 maart 2009 schrijft de recensente Judith : 'De Leraar' is een uitstekende roman en een mooie opname van de huidige maatschappij, inclusief vreemdelingenproblematiek. Hierin zit ook het enige wat me stoort aan deze roman, de Turken en Marokkanen van De Kraai spreken wel heel erg slecht Nederlands, op een kinderachtige manier. Maar goed, het verhaal is opgetekend door De Kraai zelf die elke allochtoon King Kong noemt, allicht daarom komen zijn leerlingen over als complete debielen die nog te stom zijn om te poepen.

Is dit boek de nieuwe 'Bint'? Nee, het is de eerste 'De Leraar' en zou best uit kunnen groeien tot een klassieker.


Over de schrijver en eerder gepubliceerde werk

Bron: website uitgever

Bart Koubaa (Eeklo, 1968) studeerde Arabisch en fotografie. In 1988 won hij met de groep 'Ze Noiz' Humo's Rockrally. Na een jaar als ontwerper te hebben gewerkt begon hij te reizen. Sinds 1998 werkte hij met het dadaïstische gezelschap Walbers und Hanssen aan een film.

Eind 2000 debuteerde hij met zijn roman Vuur, die bekroond werd met de Vlaamse Debuutprijs. Daarna verschenen de romans Lucht (2005) en Het gebied van Nevski, die genomineerd werd voor de BGN Literatuurprijs.


'De schaamteloze opgewektheid die Bart Koubaa in zijn debuut aan de dag legt, verrast door de pure kracht van zijn stijl.' de Volkskrant

'Lucht is een kleine, speelse, maar ook indringende roman van een schrijver die zo te zien heel andere kanten op kijkt dan het gros van zijn collega's' Trouw


romans

Vuur (2000)

Lucht (2005)

Het gebied van Nevski (2007)

De leraar (2009)

 


Honderd uur nacht

Posted by Annick Lentacker on August 15, 2019 at 6:55 AM Comments comments (0)


Feitelijke gegevens

1e druk, 2014

214 pagina's

Uitgeverij: Em. Quierido's Uitgeverij BV


Flaptekst

Honderdduizend steden bestaan er op de wereld. En ik ben gevlucht naar de stad die over twee dagen wordt getroffen door een orkaan.

De veertienjarige Emilia ontdekt iets vreselijks over haar vader. Zonder dat iemand het weet, vliegt ze in haar eentje naar New York. Maar het appartement dat ze via internet huurde, bestaat niet. En er komt een verwoestende orkaan op de stad af. Samen met twee Amerikaanse jongens en een heldhaftig klein meisje bereidt Emilia zich voor op de storm van haar leven.


Eerste zin

Ben ik het ranzige rotverhaal dat op internet staat?


Samenvatting

De veertienjarige Emilia ontdekt iets vreselijks over haar vader. Haar vader is directeur op haar school, en heeft sms contact gehad met een leerling. Bij sms contact is het echter niet gebleven, haar vader heeft de leerling bijles gegeven in een café. Iedereen spreekt er schande over. Via social media vliegen de bedreigingen het gezin van Emilia om de oren. Op een gegeven moment is Emilia het zo zat, dat ze in haar eentje een vlucht naar New York boekt.

Als Emilia eenmaal in New York geland is, krijgt ze te horen dat de orkaan Sandy richting New York komt. Het is nog onduidelijk of de orkaan langs of over New York gaat, maar bewoners treffen al verschillende maatregelen om te kunnen overleven in de ramp. Emilia schrikt ontzettend van het nieuws, maar beseft zich dat ze er vrij weinig aan kan veranderen.

Als Emilia naar het door haar gehuurde appartement gaat, blijkt het appartement helemaal niet verhuurd te worden. Het appartement is namelijk bewoond door de vijftienjarige Seth en zijn negenjarige zusje Abby. De moeder van Seth en Abby zit tijdelijk voor haar werk ergens anders. Tot Emilia’s grote schrik kan ze dus nergens terecht. Ze zit alleen in een vreemde stad, waar binnen enkele dagen een orkaan overheen komt zonder woning.

Al snel komt Emilia de dronken jongen Jim tegen. Hij zit met zijn hand in het verband en ziet eruit alsof hij hulp nodig heeft. Ze besluit Jim te helpen en tijdelijk bij hem in te trekken, waardoor ze toch nog onderdak heeft.

De volgende dag komt Emilia Seth en Abby weer tegen. Abby wil graag dat Emilia bij hun in huis komt wonen. Na overleg besluiten Emilia en Jim bij Seth en Abby in te trekken, zodat ze elkaar kunnen steunen als orkaan Sandy over New York heen gaat.

Abby vindt het ontzettend spannend wat er gaat gebeuren. Samen met Emilia besluit ze boodschappen voor een week in te slaan, zodat ze met z'n vieren een week lang in huis kunnen overleven.

Als ze orkaan eenmaal in New York is aangekomen, staan ze alle vier doodsangsten uit. Al snel is er geen elektriciteit meer, waardoor ze geen licht meer hebben. Ook het telefonisch bereik ligt eruit, waardoor Emilia geen contact meer met haar ouders op kan nemen. Haar ouders zijn er inmiddels achter gekomen dat ze in New York zit, en hebben tegen haar gezegd dat ze haar meteen op komen zoeken. Omdat er vanwege de orkaan geen vliegverkeer naar New York meer mogelijk is, duurt het nog even totdat haar ouders in New York aan zullen komen. Toch vindt Emilia het naar dat ze nu niks aan haar ouders kan laten horen.

De paar dagen dat ze met z'n allen in huis zitten zijn eng, maar ook erg gezellig. Ze delen in een paar dagen tijd alles met elkaar. Ondertussen krijgt Emilia ook nog een oogje op Jim. Ze vindt hem een ontzettend leuke en spontane jongen. Dit tot groot verdriet van Seth, want Seth vindt Emilia juist een leuk meisje.

Als de orkaan weer voorbij is, kunnen ze eindelijk naar buiten. De verlichting doet het nog steeds niet, waardoor het erg donker op straat is. Ze besluiten naar een café te gaan waar stroom is, zodat ze allemaal hun mobiele telefoon op kunnen laden. Op een gegeven moment heeft Emilia mobiel bereik en kan ze haar ouders bereiken.

Haar ouders zijn aangekomen in New York en willen met haar afspreken. Emilia is nog steeds erg boos op haar vader, maar beseft zich dat er niks anders op zit dan een gesprek met hem aan te gaan. Ze spreekt eerst met haar moeder af, zodat ze samen met haar moeder het één en ander door kan spreken.

Als Emilia de volgende dag met allebei haar ouders afspreekt, is het aan het begin erg ongemakkelijk. Op een gegeven moment wordt Emilia rustiger, waardoor haar vader zijn kant van het verhaal kan vertellen. Hij vertelt haar ook dat hij begrijpt dat het ontzettend lastig is voor Emilia, en dat het hem spijt dat hij haar leven op dit moment moeilijk maakt.

Omdat Emilia het zo ontzettend naar haar zin in New York heeft, lijkt het haar ouders een goed idee om de mogelijkheden te bekijken om zelf in New York te gaan wonen. Emilia is helemaal door het dolle heen. Dan kan ze én bij haar vrienden in New York blijven én ze wordt niet meer bedreigd door mensen op internet. Er zit echter wel één maar aan: ze moet nu wel mee terug naar Nederland. Emilia krijgt het nog voor elkaar dat ze eerst nog een nachtje bij Abby en Seth kan slapen, zodat ze afscheid van hen kan nemen.

Dan vertelt Jim dat hij het niet meer ziet zitten in New York, en dat hij terug verhuist naar zijn thuisland. Emilia vindt dit ontzettend jammer, want ze beseft zich dat ze Jim daardoor nooit meer zal zien.

Uiteindelijk vertelt ze aan Abby en Seth dat ze waarschijnlijk met haar ouders in New York gaat wonen. Ook zij zijn door het dolle heen. Ze zien al helemaal voor zich hoe ze als drie vrienden samen de rest van hun leven kunnen delen met elkaar.


Personages

Seth

Seth is de broer van Abby. Seth is een hele lieve en zorgzame jongen. Hij doet er alles aan om anderen te helpen. Daarnaast is hij erg gezellig. Samen met Abby vangt hij Jim en Emilia op, zodat niemand alleen is tijdens de orkaan.


Abby

Abby is het jonge zusje van Seth. Ze is nog erg speels. Daarnaast vindt ze het fijn om haar mening door te drammen, waardoor ze regelmatig ruzie heeft met Seth.


Jim

Jim is een jongen die voor zijn studie in New York woont. Op het moment dat Emilie hem ontmoet, is hij dronken en gewond. Aan het begin is Jim heel bazig, maar zodra hij geen alcohol meer in zijn lichaam heeft blijkt het een hele vriendelijke, rustige en vrolijke jongen te zijn.


Emilia

Emilia is de hoofdpersonage van dit verhaal. Ze is een jong meisje, dat nog niet tegen gevaar opgewassen is. Ze vindt het lastig om voor zichzelf op te komen. Omdat ze het thuis zat is, besluit ze zo naïef als ze is naar New York te vertrekken. Uiteindelijk maakt ze hier vrienden en weet ze zichzelf te redden. In een paar dagen tijd lijkt het ineens alsof Emilia veel volwassener geworden is.


De vader van Emilia

De vader van Emilia is directeur op de school waar Emilia op zit. Hij heeft contact gehad met een leerlinge, waardoor er door de school van een schande wordt gesproken. Als er ook nog bekend wordt gemaakt dat hij met dit meisje heeft afgesproken, is iedereen helemaal door het dolle heen. Al snel wordt het nieuws via de krant verspreid, waardoor alle Nederlanders hun ongezouten mening kunnen geven.


Quotes

"Ik knik. ‘Mijn vader de schooldirecteur heeft zevenzestig berichten gestuurd aan een meisje van zeventien. Hij begon ermee in april en stuurde het laatste afgelopen maandag.’ ‘Wat schreef hij al die maanden aan haar?’ ‘Wil je dat weten?’ Seth knikt. ‘Ik dus niet.’ Mijn handen trillen. Ik maak een vuist van mijn linkerhand, maar ik kan de snee niet meer voelen.

Bladzijde 75

"Veertien jaar lang dacht ik dat we een gezin waren. En nu weet ik dat mijn vader het al die tijd speelde. Het idee dat hij minutenlang – misschien wel urenlang- met zijn telefoon in zijn hand zat om te bedenken wat hij zou sms’en. Het idee dat hij al die maanden naar haar heeft gekeken. Het idee dat we thuis aan de keukentafel zaten te eten en dat hij dan aan haar dacht. Het maakt me gek.

Bladzijde 75

"Dertig seconden wachten we doodstil af. We horen ergens in de verte glas breken. Sirenes loeien. En het blijft donker. Zo donker als je nooit hebt meegemaakt in deze eeuw. Nergens brandt een stand-by lampje. De letters van elk display zijn gedoofd. ‘Het gaat niet meer aan.’ Abby’s strem trilt. ‘Wat….’"

Bladzijde 104

"We lopen door verbijsterend lege straten en ik weet dat dit voor de anderen nog veel vreemder moet zijn dan voor mij. Ik ken New York pas drie dagen, maar zij weten precies hoe deze stad eruit hoort te zien. De lucht is donkergrijs. Overal staan plassen en overal ligt rotzooi. De zesbaansweg is doodstil en lijkt breder dan ooit."

Bladzijde 116

"‘Ik heb vreselijke fouten gemaakt,’ fluistert hij. ‘Dit is niet goed te maken, dat weet ik. Het is onvergeeflijk. Ik weet echt niet hoe ik ooit….’ Ik kijk naar hem denk: dus dit is mijn vader. ‘Hou op met zielig doen,’ zeg ik kortaf. ‘ik heb een vraag voor je. Waarom heb je het gedaan?’"

Bladzijde 119


Thematiek

Escapisme

Escapisme is het thema van dit verhaal. Emilia ontsnapt namelijk uit het dagelijkse leven om een eerdere gebeurtenis te vergeten. De vader van Emilia heeft contact gehad met een minderjarig meisje. Hierdoor spreekt heel Nederland schande over het gezin van Emilia. Er worden niet alleen afschuwelijke dingen gezegd, maar het gezin wordt ook bedreigd. Emilia kan er niet meer tegen en besluit met wat spullen naar New York te vertrekken, zodat ze even kan ontsnappen uit de werkelijkheid. Ze weet dat niemand haar daar kent, waardoor ze hoopt dat ze in New York haar onbezorgde leventje voort kan zetten.


Motieven

Vriendschap

Vriendschap is een motief in dit verhaal. Emilia komt erachter hoe belangrijk vriendschap is in moeilijke tijden. In New York bouwt ze in korte tijd een hechte vriendschap op met Seth, Abby en Jim. Ze komt erachter hoe fijn het is om lief en leed met elkaar te kunnen delen, en hoe goed je elkaar kan steunen als vrienden.


Ouder-kindrelatie

Ouder-kindrelatie speelt een belangrijke rol in dit verhaal. Emilia is boos op haar vader, omdat haar vader contact heeft gezocht met een minderjarig meisje. Hierdoor wordt het leven van Emilia verwoest. Door mensen vanuit heel Nederland wordt ze bedreigd, waardoor ze even niet meer weet wat ze moet doen. Ze besluit daarom -zonder dat haar ouders het weten- te vluchten. Dit doet de ouders van Emilia een groot verdriet.


Natuurgeweld

Natuurgeweld is een belangrijk motief in dit verhaal. In de tijd dat Emilia in New York is, woedt de orkaan Sandy boven New York. Bijna heel New York wordt verwoest door deze orkaan.


Motto

'We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, taht among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.'

Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring, 4 juli 1776

Dit motto is de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring. Hierin komt naar voren dat alle mensen hetzelfde zijn en vrijheid en geluk nastreven. De hoofdpersoon van dit verhaal, Emilia, komt erachter hoe oneerlijk de wereld in elkaar steekt. Door een fout van haar bloedeigen vader wordt haar het leven zuur gemaakt. Ze besluit zich hier niet in te laten berusten, maar op zoek te gaan naar haar eigen vrijheid en geluk. Ze pakt daarom haar koffers en vertrekt naar New York om voor haar gevoel even te kunnen vluchten uit haar nare wereld in Nederland.


Trivia

De schrijfster van dit verhaal, Anna Woltz, heeft zelf de orkaan Sandy meegemaakt. Ze was op dat moment in New York. Toen er weer elektriciteit was is ze begonnen met het schrijven van dit boek.


Titelverklaring

De titel 'Honderd uur nacht' is eenvoudig uit te leggen. De veertienjarige Emilia vertrekt naar New York om te vluchten voor haar ouders. Als ze aankomt in New York, krijgt ze te horen dat de verwoestende orkaan Sandy op komst is. Samen met twee andere jongens en een meisje bereiden ze zich in een huis voor op de storm. Ze slaan zoveel mogelijk eten en drinken in, zodat ze zich een week lang in het huis kunnen bevinden. Uiteindelijk zorgt de orkaan ervoor dat het niet meer mogelijk is om stroom te verbruiken. Daarnaast is de lucht zo zwart door de orkaan, dat het lijkt alsof Emilia en haar vrienden zich constant in de nacht bevinden. Uiteindelijk duurt deze 'nacht' honderd uur lang. In deze honderd uur hebben ze naast kaarslicht helemaal geen licht meer gezien.


Structuur & perspectief

Het verhaal wordt verteld vanuit het ik-perspectief. Dit is al gelijk aan het begin van het boek duidelijk. De verteller is Emilia. Als lezer lees je haar gedachtes en handelingen, waardoor je je als lezer volledig in kan leven in Emilia. Om het inlevingsvermogen van de personage te vergroten, wordt er veel gebruik gemaakt van details. Onderstaand een quote van het gebruikte perspectief.

'We komen thuis met vier loodzware tassen vol eten. Abby begint meteen uit te pakken en ik loop vlug naar de computer. Ik heb natuurlijk wel wat beters te doen, maar ik moet toch even zien wat de zielige zompelingen te melden hebben. Of mijn vader nog steeds een idioot is. En of mijn moeder al tijd heeft kunnen vinden om iets van zich te laten horen.' - bladzijde 84

Het verhaal is opgedeeld in hoofdstukken die te herkennen zijn een cijfer. Dit cijfer geeft aan in welk hoofdstuk het verhaal zich afspeelt. In totaal zijn er 45 hoofdstukken, verdeeld over 214 bladzijden.


Decor

Het verhaal speelt zich op één plek af, namelijk in New York.

In welk jaartal het verhaal zich precies afspeelt, is onduidelijk. Het verhaal speelt zich echter wel in de huidige tijd af. Er zijn verschillende elementen die laten zien dat het verhaal zich in de huidige tijd afspeelt. Zo wordt er gebruik gemaakt van laptops, internet, 3G (mobiel internet) en mobiele telefonie.

De verteltijd van het verhaal is ongeveer een week. Dit is de week waarin Emilia afreist naar New York en de orkaan Sandy meemaakt. Daarnaast speelt het verhaal zich rondom Halloween af, omdat Emilia met haar vrienden nog Halloween viert.


Stijl

De schrijfstijl van Anna Woltz is heel eenvoudig waardoor iedereen het kan begrijpen. Er zijn in het verhaal weinig moeilijke woorden gebruikt. Daarnaast zijn de zinnen erg eenvoudig opgebouwd.

Alles is zo geschreven dat je door het verhaal meegesleept wordt waardoor je het verhaal al snel uit hebt gelezen.

Het verhaal is echter wel op een gedetailleerde manier beschreven. Door het gebruik van details worden de emoties van de personages uitvoerig beschreven, waardoor het verhaal je emotioneel raakt.

Door het gebruik van details loop je soms wel leesvertraging op. Over één klein ding kan in een groot stuk tekst verteld worden. de leesvertraging is niet storend om te lezen en voegt veel toe aan het verhaal.

Wat verder erg opvalt is dat het verhaal voornamelijk bestaat uit gesprekken tussen personages. Het verhaal wordt dus grotendeels gevormd door de gesprekken die de personages onderling voeren.

Onderstaand een quote die de gebruikte schrijfstijl illustreert:

'Ik loop op de tast naar hem toe en duw de luxaflex opzij. De stormende lucht is net iets minder zwart dan de huizen. Het kan Sandy niet schelen dat we geen licht meer hebben. Ze buldert genadeloos door en trekt aan de ramen. Het glas staat even bol en dan, bij de volgende windvlaag, trekt het hol.' - bladzijde 104


Slotzin

'Ik weet al waarom het zo raar is,' zeg ik. 'Het licht moet uit.' Hij knikt. 'Dat dacht ik nou ook.'


Beoordeling

Ik heb me ontzettend vermaakt bij het lezen van dit verhaal. Het verhaal is op zo'n manier geschreven, dat je als lezer constant blijft lezen. Ondanks het feit dat ik buiten de doelgroep val, heb ik me toch erg vermaakt met het lezen van dit verhaal.

Ondanks dat dit boek een jeugdboek is, vind ik het mooi op welke manier kenbaar gemaakt wordt dat elke personage een bepaald probleem met zich meedraagt. Ik denk dat veel lezers zich in één of meerdere personages kunnen herkennen, wat het lezen van het boek alleen maar leuker maakt.

Al met al vond ik het een leuk boek! Ik vind het zelfs één van de beste boeken die er voor de jeugd is. Zoek je dus een leuk en interessant boek met een goede verhaallijn, dan moet je zeker voor dit boek kiezen.


Recensies

"Honderd uur nacht is een fijne jeugdroman die prikkelt en aanzet tot denken. Toegegeven: veertienjarigen reizen gewoonlijk niet in hun eentje naar New York en Abby is wel erg wijs voor een negenjarige, maar dat vergeef je Woltz direct. Sterker nog: in dit verhaal is het absoluut aannemelijk. Honderd uur nacht is geschikt voor kinderen vanaf 12 jaar, maar ook zeker aan te raden voor volwassenen."

http://www.tzum.info/2014...uur-nacht/


"Al met al kan ik zeggen dat ik mijzelf super vermaakt heb met dit boek en had ik eigenlijk wel verder had willen lezen in plaats van een open einde. Al met al was het een leuk boek en wilde ik daarna eventjes niks meer lezen en bleef ik denken aan dit boek."

http://booksandkisses.nl/...nna-woltz/


"Honderd uur nacht is een bomvol boek, al stoort dat niet. Het boek raast net zo hard door als de orkaan Sandy deed en laat de lezer verbouwereerd achter. Akkoord: meisjes van veertien vertrekken doorgaans niet in hun uppie naar New York, maar dat Emilia gaat, is volkomen geloofwaardig. Sinds Anna Woltz bij Querido zit, gaan haar boeken met sprongen vooruit."

http://www.lezenisleuk.nl...-uur-nacht


Bronnen

Anna Woltz

http://www.annawoltz.nl/


Ik zie je tussen de wolken

Posted by Annick Lentacker on August 15, 2019 at 6:25 AM Comments comments (0)


https://thebookreview.nl/recensies/contemporary/ik-zie-je-tussen-de-wolken-maren-stoffels/


‘Dit moet stoppen, Lauren.’ Het doosje met tissues dat tussen Loes en mij in stond, irriteerde me. Alsof ik hier ooit zou huilen. ‘De leraren hebben allemaal aangegeven dat je niet goed meedoet in de lessen.’ Allemaal. Ze werden allemaal gek van me. Ik wist dat het slecht ging, dat ik vaak met andere dingen bezig was dan met de lesstof, maar dat de docenten bij Loes kwamen klagen was nieuw. ‘Wat vind je daar zelf van?’ vroeg de schoolpsychologe. ‘Knap,’ zei ik om ervan af te zijn. Loes schreef iets op in haar map. De map waar ze de afgelopen keren mijn leven in had opgeschreven. Tenminste, het deel dat ik kwijt wilde.


Hoe ik bij dit boek kwam

Maren Stoffels is een auteur die ik al ken sinds mijn jaren op de middelbare school: haar boeken Dreadlocks en lippenstift, Je bent van mij! en Sproetenliefde waren echt begrippen onder mijn leeftijdsgenootjes. Ik las zelf liever andere titels: pas toen ik ouder werd, probeerde ik haar boeken uit en toen was het eigenlijk algauw te jeugdig naar mijn smaak. Toch ben ik wel fan van haar schrijfstijl en de manier waarop ze, een beetje à la Carry Slee, heftige thema’s toegankelijk maakt. Toen ik erachter kwam dat ze een 15+-boek zou gaan schrijven dat meer naar YA neigde, was ik dan ook heel enthousiast en mijn verwachtingen waren best hoog. Want een boek over kanker, depressie en homoseksualiteit is wel even andere koek dan verhalen over vriendschap en je eerste verliefdheid…


Waar het over gaat

Het gaat niet goed met Lauren. Thuis gaat alle aandacht naar haar broer en voetbalheld Dex, op school misdraagt ze zich omdat ze zich niet kan concentreren en zonder dat iemand het weet, snijdt ze zichzelf om te kunnen dealen met haar depressieve gedachten en gevoelens. In een poging haar weer op het goede spoor te krijgen, regelt schoolpsychologe Loes een stage voor Lauren in het ziekenhuis: ze wordt buddy voor Casper, een negenjarig kankerpatiëntje. Lauren weet niet goed wat ze ermee aan moet, zeker niet wanneer ze in het ziekenhuis ook de overbezorgde en irritante – maar ook aantrekkelijke – Jasmijn ontmoet. Langzaam maar zeker ontdekt ze een paar misschien wel flink beangstigende waarheden over zichzelf…


Wat ik ervan vond

Ik had best hoge verwachtingen van dit boek, maar tegelijkertijd wist ik ook niet helemaal wat ik me moest voorstellen bij zo’n eerste ‘’volwassen’’ roman van een schrijfster die ik echt alleen maar kende van jeugdboeken. Maar ik had me absoluut geen zorgen hoeven maken, want ik ben enorm onder de indruk van Ik zie je tussen de wolken. De kracht van Stoffels’ schrijfstijl, het toegankelijk maken van heftige thema’s, komt in dit boek heel erg mooi tot zijn recht en ik vind het waanzinnig knap hoe rauw ze het verhaal vertelt. Het is heel volwassen en serieus, bijna zwart – maar door de vlotte dialogen en het eenvoudige taalgebruik wordt het toch geen zwaar boek. Het is een boek waar je af en toe een naar gevoel van krijgt, maar waar je ook stil van bent na het lezen: een boek dat impact heeft.


Doordacht

Die impact heeft voor een groot deel te maken met het feit dat het verhaal zo goed doordacht is. De relatie tussen Lauren en haar broers, subtiele opmerkingen, korte momentjes: bijna alles heeft te maken met de struggles en moeilijkheden die Lauren doormaakt en daardoor komt het des te harder aan wanneer er grapjes worden gemaakt over lesbisch zijn of over kanker. Maar ook de compositie van het verhaal: het boek bestaat uit vijf delen die elk beginnen met een deel van Laurens naam. In elk deel wordt het duidelijker hoe moeilijk Lauren het heeft en hoe ver ze eigenlijk écht van zichzelf verwijderd is, terwijl ze tegelijkertijd ook in elk deel voorzichtige stapjes zet – alleen zijn het niet altijd de juiste stappen. Het maakt duidelijk dat je soms jezelf moet kwijtraken voor je jezelf kunt vinden, en dat komt flink binnen.


Tranen

Juist doordat alles zo mooi met elkaar in verhouding staat, vond ik allebei de kanten van het verhaal heel mooi. Aan de ene kant is er Lauren, die probeert weer beter in haar vel te komen en die worstelt met haar gevoelens en haar eerste relatie, wat heel levendig en eerlijk beschreven is. Aan de andere kant is het ook heel mooi om over Casper te lezen: Stoffels beschrijft met zoveel gevoel, warmte en oprechtheid de lichtpuntjes én de diepe dalen van kanker, maar ook van het ziekenhuisleven dat het me echt tot tranen toe heeft gebracht. Vooral de manier waarop Casper echt heel veel gaat betekenen voor Lauren en hoe haar band met Jasmijn verandert vond ik prachtig.


Gedurfd

Eigenlijk heb ik vooral heel veel bewondering voor Stoffels dat ze dit verhaal heeft durven schrijven, want makkelijk zal het vast niet geweest zijn. Er zijn de laatste tijd heel veel boeken over geestelijke gezondheidsproblemen, maar slechts weinig auteurs durven zo rauw en expliciet te schrijven als Stoffels heeft gedaan. En juist door de realistische heftigheid van Laurens onzekerheden, twijfels, haar vluchtgedrag en haar verlorenheid wordt Ik zie je tussen de wolken een heel aangrijpend boek met een verhaal dat – helaas – echt verteld moet worden omdat er nog zoveel taboes zijn, over kanker en homoseksualiteit, maar ook over depressie en automutilatie.


Conclusie

Ik vind Ik zie je tussen de wolken absoluut het beste boek van Maren Stoffels tot nu toe en ik hoop van harte dat ze meer gaat schrijven voor deze leeftijdsgroep. Het verhaal is rauw en oprecht en daardoor ijzersterk, alle elementen passen perfect in elkaar en de schrijfstijl maakt het op zo’n manier toegankelijk dat het boek je nog lang zal bijblijven. Oké: af en toe zijn de scènes een beetje té kort en lijkt er een beetje té veel te spelen, maar zelfs dat past bij de chaos in Laurens hoofd en leven. Een echt goed boek dat me flink heeft geraakt.


Titel: Ik zie je tussen de wolken

Auteur: Maren Stoffels

Uitgeverij: Leopold

Verschenen: augustus 2016

Aantal bladzijden: 234

Genre: young adult contemporary

ISBN: 9789025870621

Beschikbaar als: paperback, ebook

| Goodreads | Bol.com | Auteurssite |


Grensgangers

Posted by Annick Lentacker on August 15, 2019 at 5:55 AM Comments comments (0)


Juryrapport De Gouden Lijst 2016

1961-1977-1989: drie op het eerste gezicht willekeurige jaartallen. Ze zijn verbonden met de geschiedenis van Oost-Duitsland en meer in het bijzonder de Berlijnse Muur. In Grensgangers is die geschiedenis verweven met het leven van drie generaties uit één Oost-Duitse familie die letterlijk en figuurlijk verdeeld raakt door de muur die in 1961 tussen Oost- en West-Berlijn werd gebouwd. In het eerste deel staat Julian centraal die aanvankelijk geniet van zijn bestaan als grensganger tussen Oost- en West-Berlijn. Hoewel de meeste Oost-Berlijners hem met de nek aankijken, heeft hij tot de bouw van de muur geen last van het negatieve imago dat hij als grensganger heeft. Hij voelt zich eerder bevoorrecht. De bouw van de muur maakt daar een abrupt einde aan en snijdt hem af van een gedroomd leven in het Westen met zijn vriendin Heike. Ongeloof, woede en wanhoop maken zich van hem meester en vluchten is voor hem de enige optie. Voor Marthe die samen met haar broer Florian de hoofdpersonages zijn van het tweede deel, is vluchten geen oplossing. Ze droomt ervan meer vrijheid van binnenuit te bewerkstelligen, maar daarvoor blijkt het nog te vroeg. De Stasi houdt alles onder controle. In het laatste deel draait het om Julians jongste nichtje Sybille. Anders dan Marthe is ze totaal niet politiek bewust tot ze pogingen onderneemt haar grootmoeder te redden. Het politieke klimaat verandert langzaam maar zeker. En dan valt de muur en wordt alles anders.

Met Grensgangers brengt Aline Sax terecht een recente periode in de westerse geschiedenis sterk onder de aandacht. Het verhaal van een familie die in de loop van de tijd steeds verder uit elkaar valt, is ingenieus geconstrueerd. Een dergelijke structuur is krachtig en effectief, want het maakt beter dan welk geschiedenisboek ook duidelijk hoe de Berlijnse Muur tussen 1961 en 1989 levens heeft verwoest en hoe plaats en tijd bepalen wie je bent en mag zijn. Het siert Sax dat ze niet heeft gekozen voor een happy end. Een dergelijk slot zou afbreuk hebben gedaan aan de ellende, de pijn en het verdriet die de schrijfster door de verhalen van Julian, Marthe en Sybille zo invoelbaar weet te maken. Het past ook niet bij de wetenschap dat in de realiteit veel inwoners van voormalig Oost-Duitsland nog altijd getraumatiseerd zijn door de gebeurtenissen uit het verleden. Met Grensgangers heeft Aline Sax hen een monument gegeven. De verhalen maken tastbaar wat het betekent om niet in vrijheid te kunnen leven, hoe het voelt als je monddood wordt gemaakt en niemand kunt vertrouwen, omdat zelfs je buren of, erger nog, je eigen broer of zus lid van de Stasi kunnen zijn. De rode draad van wantrouwen en geheimen komt ook in de vorm tot uitdrukking. Hoewel Sax veel verhaallijnen met elkaar verweeft en verbindt, zijn er ook open plekken. Niet alles komt boven tafel en niet alle puzzelstukjes worden teruggevonden. Aline Sax is een meeslepend verhalenverteller met een scherp oog voor saillante details. Wanneer Sybille haar oma in het ziekenhuis bezoekt, beschrijft ze de kamer: ‘Het raam was blauw geschilderd. Oma had een kamer gekregen met uitzicht op het Westen. En dat kon niet. Niemand mocht iets van het Westen zien. De kaarten waren gele vlekken, de ramen blauwe.’ Zo is het Westen voor Sybille ‘niet meer dan enkele oude foto’s’ en de geheimzinnige ansichtkaarten in het postvak van haar grootouders.

Grensgangers is een boeiende politieke roman over jonge mensen die op een andere manier grensgangers zijn dan Julian dat in het begin van het boek is. De grens is gesloten, maar alle drie tonen, ieder op hun eigen manier, dat ze grensgangers zijn in de positieve zin van het woord, namelijk dat ze de durf en de moed hebben om de bizarre regels van het regime waaronder ze leven, te overtreden.

***

Grensgangers

Ik heb al vele boeken over de Tweede Wereldoorlog gelezen, maar nog nooit eerder een boek die specifiek induikt op de bewoners van Oost-Berlijn in de tijd van de Berlijnse muur. Het boek beslaat drie belangrijke jaren uit de geschiedenis van de Berlijnse muur:

1961, hierin wordt er kennisgemaakt met Julian, hij werkt aan de westerse kant van Berlijn, hij wordt een zogenaamde grensganger genoemd, wordt daardoor met de nek aangekeken door de mensen uit zijn eigen gedeelte namelijke het oosten. Hij wordt gezien als iemand die van twee walletjes eet, in het Westen voordeel doen van beter eten, voorzieningen, beter betaalde baan en noem maar op, wordt daardoor aangezien voor een kapitalist, maar het boeit Julian allemaal niet, hij heeft alleen oog voor zijn westerse vriendin Heike, het gaat allemaal goed tot op de dag dat de muur plots een scheiding maakt tussen het oosten en westen. Julian bedenkt een plan om naar het Westen te vluchten maar niet zonder risico.

1977, hierin volgen wij het verhaal van Marthe, het nichtje van Julian, samen met haar broer Florian is ze lid van een geheime boekenclub waarin boeken worden besproken die in Oost-Berlijn verboden zijn. Zij kijken vooral op tegen Hans en Sofie Scholl welke in 1943 op hun universiteit in München pamfletten hadden uitgedeeld om op te roepen tot weerstand tegen de nazi’s en hun praktijken. Marthe en Florian voelen zich genoodzaakt om aan hun zijde in opstand te komen tegen de alle bizarre regeltje en de muur. Maar nadat Julian zich in het openbaar geuit heeft over zijn opvattingen, worden ze binnen no time gevolgd door de Stasi.

1989, het derde en laatste deel gaat over de jongste nichtje van Julian Sybille, zij is door haar moeder in de steek gelaten en wordt door haar demente opa en zieke oma opgevoed. Ze heeft een baantje in een supermarkt waar ze helemaal content mee is, stil verliefd op een mede collega. Maar dan slaat het noodlot toe, haar tante pleegt zelfmoord en opeens staat na 18 jaar haar dood gewaande nichtje voor de deur en oma wordt plotseling doodziek. 1989 is daarnaast een rumoerig jaar, de mensen komen in opstand tegen de muur.

Wat een boek, ieder verhaal vertelt de eerlijke waarheid over hoe het leven er aan toe ging, er worden geen doekjes om heen gebonden en dat maakt dit boek zo speciaal, voor dit gezin helaas geen gelukkig einde, maar zoals voor veel mensen in die tijd veel verdriet, pijn, en lijden. Hoe ging het er echt aan toe in Oost-Berlijn? Grensgangers laat er geen gras over groeien en weet op een pijnlijke manier weer te geven hoe het echt geweest moet zijn. Mensen werden doodgeschoten in wanhopige pogingen naar het westen te vluchten, je mocht je mening niet geven dan werd je opgepakt. Het leven werd je haast onmogelijk gemaakt. Wil je een eerlijk en meeslepend boek? Dan moet je zeker Grensgangers lezen, let wel het laat een indruk op je achter die nooit meer uitgewist kan worden.

Geniaal hoe Sax de verhaallijnen in elkaar over laat vloeien, je met haar schrijfstijl beet pakt en vervolgens niet meer los laat, het boek is als een pitbull. Eenmaal gegrepen laat het je nooit meer los.

Miranda, The Book Girl

***


Aline Sax: Grensgangers

14+ – Hoewel er een aantal goed bekeken films is gemaakt over het leven in de DDR en vlak na de val van de muur, zijn er maar weinig boeken geschreven over dit recente hoofdstuk uit de geschiedenis. En nog minder jeugdboeken. En dat terwijl de setting zich zo goed leent voor het thematiseren van belangrijke waarden. Politieke waarden, zoals vrijheid van denken, vrijheid van meningsuiting, keuzevrijheid en bewegingsvrijheid. En sociale waarden, zoals vertrouwen, familie, vriendschap en liefde. Tegelijkertijd levert de bouw van de muur, het leven erachter en de val alle ingrediënten voor een spannende plot. Aline Sax weet het in Grensgangers te combineren tot een meeslepend verhaal over drie generaties DDR-bewoners; hoe de muur een familie uiteensloeg.

Julian, Marthe en Sybille zijn familie. Alle drie vertegenwoordigen ze een ‘muurgeneratie’: Julian de generatie die net volwassen is als de muur gebouwd wordt, Marthe de generatie die het langst achter de muur leeft en Sybille de generatie die net volwassen is als de muur valt. Alle drie hebben ze een andere verhouding tot de muur en het regime waar de muur symbool voor staat. Geen van drieën ontkomt aan zijn splijtende kracht.

Het eerste deel van het boek komt nog wat houterig op gang. Julian woont in het Oosten van Berlijn, maar werkt in het Westen en wordt daarom ‘grensganger’ genoemd. Door zijn contacten met collega’s en de vrienden die hij in het Westen maakt, vervreemdt hij langzaam maar zeker van de ideologie van het Oosten. Wanneer hij een West-Berlijns vriendinnetje krijgt gaat hij ook de manier van leven in het Oosten met andere ogen bekijken: de gebouwen zijn armoedig, voor de winkels staan lange wachtrijen, het eten is saai. Wat is er eigenlijk zo mooi aan het communisme? Sax neemt net te weinig tijd om Julians beleving van het Westen en de vervreemding van zijn familie te beschrijven. Wanneer de muur in 1961 wordt gesloten neemt hij wel erg snel het besluit om te vluchten. De grenswachter die hij nog van vroeger kent en hem tegenwerkt is zwart-wit neergezet. En dan pleegt Julian ook nog per ongeluk een moord. De vlucht wordt spannend beschreven, maar dit eerste deel berust toch vooral op sensatie.

Dat wordt anders vanaf deel twee. Hierin volgen we Marthe, die zich in 1977 nauwelijks nog herinnert dat de muur er niet stond. Samen met haar broer Florian zit ze in een leesclub die verboden boeken leest. Ze droomt over verzet en vergelijkt zichzelf met Sophie Scholl, een jonge verzetsstrijdster uit de Tweede Wereldoorlog. Wanneer een nieuw lid in de leesclub wordt geïntroduceerd raakt wat eerst slechts gedachten en gefluisterde overwegingen waren in een stroomversnelling. Marthe, haar broer en het nieuwe lid drukken pamfletten met oproerende leuzen en verspreiden deze. De ondertoon van dit tweede deel wordt gevormd door het wantrouwen dat er tussen iedereen heerst. Tussen de leden van de leesclub, tussen Marthe en haar vrienden, zelfs tussen Marthe en haar familie. Sax weet de spanning die dit oplevert zinderend op te voeren als Marthe en Florian worden opgepakt en Marthe tijdens de verhoren zelfs haar moeder gaat verdenken.

Voor Sybille, over wie het derde deel vertelt, speelt politiek aanvankelijk nauwelijks een rol. Zij heeft zich geschikt in het systeem en probeert daar gewoon het beste van te maken. Dat valt niet mee wanneer je voor je demente opa moet zorgen. Als haar oma in coma raakt, komt de muur toch weer in beeld. Sybille wil proberen haar oma in een westers ziekenhuis te krijgen, waar ze hopelijk beter behandeld kan worden. Ze probeert brieven over de muur te smokkelen, maar dit heeft geen succes. Wanneer de verdwenen gewaande Marthe plotseling opduikt, lijkt zich een mogelijkheid voor te doen. Maar met Marthe steekt ook het wantrouwen weer de kop op. Want waarom heeft Marthe twaalf jaar lang niets van zich laten horen, terwijl haar moeder zwaar depressief was door de verdwijning van haar kinderen? Waarom zingt opa nazistrijdliederen? En wie stuurt die vreemde kaarten met verzetsleuzen? Langzaam laat Aline Sax ook haar derde personage verstrikt raken in het politieke systeem waar zij zich zo lang aan conformeerde. Langzaam laat Aline Sax ook haar verscheurd raken door de geschiedenis die haar familie uit elkaar heeft geslagen.

Waar de eerste twee delen hoopvol eindigen, laat het einde van het laatste deel niet veel licht achter. Met de val van de muur is er voor Sybille weinig opgelost. Ook voor de lezer bestaan er nog veel raadsels en vragen, veel plotlijntjes blijven open. En dit is precies de kracht van het boek. Terwijl het verhaal wordt voortgestuwd door de zucht te weten hoe het afloopt, laat Aline Sax juist met het einde zien dat het nooit afloopt. Dat de bressen die de muur heeft geslagen niet ophouden bij het afbreken ervan.

Sanne Parlevliet, MappaLibri

***


Grensgangers – Rating: 5/5

Verleden week kreeg ik een mailtje van Davidsfonds Uitgeverij dat ze nog een plaatsje vrij hadden voor de blogtournee van Grensgangers, het nieuwste boek van de bekroonde jeugdauteur Aline Sax. Het aangrijpende verhaal over de gevolgen van de Berlijnse muur op het leven van drie jonge mensen.

Ik had al wel niet zoveel spatie meer voor een extra boek, maar ik kan ook zo moeilijk nee zeggen. Als het boek dan ook nog eens de moeite waard is om gelezen te hebben, voel ik het zeker niet als verloren tijd. En ik ben blij toe dat ik op het voorstel ingegaan ben.

Grensgangers is een verhaal handelend over één familie, opgesplitst in 3 generaties. Het begint in 1961 met de splitsing van Oost- en West-Berlijn, verder lopend in 1977 wanneer de Stasi op zijn hoogste punt liep en eindigend in 1989 bij de val van de Muur.

Bij ieder deel van het boek ging mijn stergehalte naar boven omdat ik de situatie zo goed aanvoelde. De strijd, de geheimen, het stilzwijgen, de moed, het doorzettingsvermogen van alle personages die aan bod komen, kruipen onder je vel en je voelt de spanning per pagina stijgen.

In een periode waar je alle dagen geconfronteerd word met het vluchtelingenprobleem, komt dit boek op een goed moment uit. Het geeft je een kijk op hoe de mensen zich effectief voelen op zoek naar de vrijheid die iedereen zou moeten hebben. Dit zou geen alleenrecht van westerse landen mogen zijn.

Aline Sax heeft hier een voortreffelijk young adult boek neergepend en ik hoop/weet dat ze met dit boek een zeer breed publiek weet te boeien. Misschien zit er wel een prijs in dit boek verborgen. Wie weet? Ik gun het haar van harte.

Ingrid, Boeklovers

***


De Berlijnse Muur verpestte veel – ●●●○○

Alles wat je bent, wordt bepaald door de plaats waar je opgroeit en de tijd waarin je leeft. Als de Vlaamse historica en schrijfster Aline Sax iets duidelijk maakt met haar nieuwe historische jeugdroman Grensgangers, dan is het dat wel. Het onderwerp van haar verhaal – de bouw van de Berlijnse Muur in 1961 en de breuk die dat in vele levens veroorzaakte – leent zich als geen ander om te illustreren dat niemand zich aan zijn tijd kan onttrekken en dat vrijheid een relatief begrip is.

In drie opeenvolgende verhalen geeft Sax het woord aan drie twintigjarigen uit één Oost-Berlijnse familie: Julian vertelt onomwonden over zijn door liefde ingegeven, spannende vlucht naar het kapitalistische Westen in 1961, niet vermoedend hoe het familieleven in het communistische Oosten door represailles ontregeld raakt. Marthe, de idealistische dochter van Julians zus Gudrun, neemt je mee naar 1977 als de Stasi diep in de maatschappij is doorgedrongen waardoor – zo ontdekt Marthe pijnlijk – vertrouwen en verraad samengaan. Sybille tot slot, dochter van Julians jongste zus, beschrijft hoe ze voorafgaand aan de val van de Muur in 1989 door haar gebroken familiegeschiedenis verstrikt raakt in het politieke systeem.

Door die perspectiefwisselingen wordt het plot-driven verhaal overtuigend van verschillende kanten belicht, zodat je verbanden kunt leggen die de hoofdpersonen niet kunnen leggen. Sybille heeft bijvoorbeeld geen flauw idee wie de anonieme ansichtkaarten uit West-Berlijn stuurt. raadselachtige verzetsleuzen zet de lezer echter op het spoor van Florian, Marthe’s broer die eerder als staatsgevaarlijk gevangen is gezet. Heeft hij Marthe, die gelijktijdig was opgepakt, haar vrijheid geschonken, door te bezwijken voor de Stasi? Daarnaast zijn er suggestieve speculaties die de roman een thrillerachtig karakter geven, wat niet wil zeggen dat Sax alle verhaaleindjes aan elkaar knoopt. Maar dat past bij een setting waarin iedereen elkaar wantrouwt omdat niemand weet wat de ander bedoelt. Mensen nemen afscheid van elkaar en verdwijnen uit elkaars levens omdat het partijsysteem ze tot oneigenlijke keuzes dwingt. Zo symboliseert Sax’ Muur doeltreffend ‘de muur van zwijgen en geheimen’ waar iedereen tegenaan loopt en zich blijvend aan verwondt. Soms is ze wat wijdlopig. Toch word je meegesleept door haar pretentieloze verteltoon en levensechte personages wier identiteit door historisch en geografisch toeval gevormd wordt.

Mirjam Noorduijn – NRC Handelsblad

***


Grensgangers

Deze historische roman brengt het verhaal van drie twintigers die op verschillende tijdstippen opgroeien in Oost-Berlijn. In 1961 is Julian een Oost-Duitse grensganger die werkt in West-Berlijn. Op een dag wordt de grens afgesloten. Hij kan niet meer naar zijn werk en heeft geen contact meer met zijn liefje en zijn vrienden in het Westen. Als voormalige grensganger krijgt hij nergens werk in Oost-Berlijn. Hij besluit te vluchten, maar dat houdt grote risico’s in. In 1977 studeert Marthe, dochter van Julians oudere zus, aan de universiteit in Oost-Berlijn. Ze zit samen met haar broer in een leesclubje waar verboden boeken worden gelezen. Ze schrijven er ook pamfletten tegen de corruptie van de machthebbers. Wanneer enkelen die pamfletten verspreiden komen ze beiden in het vizier van de Stasi. Ze worden opgepakt. Sybille, een nichtje van Julian, is opgegroeid bij haar grootouders. Ze is best tevreden met haar gewone leventje en haar baantje bij de supermarkt. Alles wordt overhoop gegooid als ze Marthe weerziet en als haar grootouders ziek worden. Het is 1989 en tegen wil en dank komt ze in de problemen als ze meer en meer maatschappelijk bewust wordt. Er is onrust onder de bevolking en de val van de Muur staat voor de deur.

Via verhalen over deze drie jonge mensen beschrijft historica Aline Sax wat de impact was van de beknotting van vrijheid op alle gebied in de voormalige DDR. Het leidde tot paranoia om bespioneerd te worden, tot een zwijgcultuur om niets over jezelf of je familie bloot te geven en tot frustratie en eenzaamheid. Het dagelijkse leven en de gevoelens van de personages komen accuraat en inleefbaar aan bod. Bij Julian is er vooral woede en machteloosheid. Zijn verhaal zit vol spanning en actie. Marthe droomt samen met haar broer van een betere toekomst en wil zich daarvoor inzetten. Ze haat de zwijgcultuur van haar familie en rebelleert. De jonge mensen zijn idealistisch, snakken naar vrijheid en willen daartoe in eigen land een steentje bijdragen. Dat komt hen duur te staan. Realistisch en zonder sensatiezucht beschrijft de auteur de ondervragingstechnieken en intimidatie van de Stasi. Bij Sybille valt vooral de eenzaamheid op. Zij kan niet terugvallen op familie en zit met veel vragen waarop ze geen antwoord krijgt. De familiegeschiedenis laat na al die jaren diepe sporen na. Het politieke systeem maakt mensen monddood. Ze bouwen een pantser rondom zich in de hoop gespaard te blijven. Door omstandigheden moet Sybille zich engageren en risico’s nemen.

Dit is een meeslepende roman over hoe mensen in de voormalige DDR begrensd en soms geknakt werden in hun persoonlijk leven. Daarbij moesten ze hun eigen grenzen verleggen. Dat vergde moed en durf om eigenbelang en angsten te overwinnen. De val van de Muur brengt geen echt happy end omdat de wonden van de voorbije decennia zo diep waren. Niet alles wordt uitgeklaard in dit boek: enkele nevenlijnen stoppen en er is geen duidelijkheid over alle hoofdpersonages. Dat zet aan tot nadenken en brengt de lezer zelf enigszins in een onzekere situatie die de protagonisten in een veelvoud hebben ervaren. Een boeiende roman voor adolescenten en volwassenen.

Ria De Schepper, Kunsttijdschrift Vlaanderen

***


Grensgangers –

‘Grensgangers’ is een prachtige historische roman over het opbouwen en de val van de Berlijnse muur. In dit boek lezen we drie samenhangende verhalen over verschillende leden van eenzelfde familie uit Oost-Berlijn. De eerste maakt de bouw van de muur mee en verliest hierdoor zijn vriendin die in het Westen woont. Hij onderneemt een vluchtpoging.

Het tweede verhaal gaat over zijn jongere nichtje en neefje. De twee willen niet naar West-Berlijn maar pogen het regime van binnenuit te veranderen. Al snel gaan hun acties wat verder en op die manier komen ze dan ook in aanraking met de Stasi. In dit verhaal vernemen we ook meer over de oorlogsmisdaden die hun grootvader heeft begaan in de tweede wereldoorlog. Dit verhaal is erg maatschappijkritisch. Een hoogst merkwaardig element is echter wel de verliefdheid tussen broer en zus. Hoewel deze relatie realistisch is neergezet, blijft dit één van de redenen dat het boek voor de lezer onwerkelijk blijft.

Tot slot lezen we het verhaal van Sybille. Eigenlijk is zij een braaf meisje dat in de pas loopt en goed voor haar oma en opa zorgt. Wanneer haar oma ziek wordt, probeert ze haar oom in het Westen te contacteren. Ze wordt heen en weer geslingerd tussen haar oma en haar vrienden die via Hongarije (een veilige grensovergang) willen vluchten. Wanneer ze bijna aan deze grensovergang is, besluit ze samen met haar vriend Marco terug te keren. Marco is ervan overtuigd dat er ook in Berlijn wat beweegt en dat het niet lang meer zal duren voor de muur ook daar valt. Dankzij Marco komt ze mee in opstand. Terwijl ze haar nicht Marthe uit het vorige verhaal terug vindt en leert waartoe de Stasi in staat is, ontpopt Sybille zich toch als een vrouw die duidelijk verandering wil.

Deze drie verhalen worden in dit boek na elkaar opgetekend, slechts gescheiden door een grijs blad dat zeer waarschijnlijk de muur symboliseert. De drie karakters zijn helemaal anders, maar hebben hun verzet tegen het Oost-Duitse regime gemeenschappelijk. Ze zoeken alle drie figuurlijk de grenzen op.

Tinne Geuens, Pluizer

***

Toegankelijk en indringend

Iedereen kan wel iets over de Tweede Wereldoorlog vertellen. Over de opkomst van het nationaal-socialisme, over de bezetting van Nederland en de bevrijding van de onderdrukte landen. Maar over de periode erna wordt een stuk minder gesproken, terwijl voor veel mensen de onderdrukking door heersende regimes niet stopte na de oorlog.

Aline Sax heeft dan ook een belangrijk onderwerp gekozen voor haar nieuwste boek: de periode van de verdeling van Duitsland. Want hoe kan het dat een land, ja zelfs één stad, door andere landen wordt opgedeeld? Welke gevolgen heeft dat voor de inwoners?

1961- ‘Ze hadden hun prikkeldraad niet alleen dwars door mijn stad gelegd, maar ook dwars door mijn leven.’

Julian woont met zijn familie in het Russische deel van Berlijn. hij werkt echter in West-Berlijn, waar hij zijn vrienden heeft en waar hij op een ochtend Heike ontmoet. Zij woont sinds kort in West-Berlijn en Julian neemt zich voor haar zijn stad te laten zien en al snel zijn de twee onafscheidelijk. Tot de komst van de Muur. Van de ene op de andere dag zijn de grenzen naar West-Berlijn gesloten en kan Julian geen kant meer op. Hij raakt zijn baan kwijt, zijn vrienden en Heike. Hij besluit om samen met zijn broer Rolf naar het Westen te vluchten, maar tijdens het plannen van hun vlucht beseffen ze dat de risico’s voor hun vlucht mogelijk te hoog zijn. Eenmaal onderweg kunnen ze alleen niet meer terug.

1977 – ‘Zijn doodstille houding. Zijn kille blik. Stasi. ik wist het meteen.’

Marthe en haar broer Florian mogen sinds een paar jaar weer naar de universiteit en hun moeder mag haar werk als kunstenares weer oppakken. Ze weet niet waarom haar moeder door de Stasi in de gaten werd gehouden, maar ze weet wel dat het iets te maken heeft met haar oom Julian, over wie iedereen in haar familie angstvallig zwijgt. Maar zelf heeft Marthe ook geheimen. Samen met Florian is ze lid van een geheime leesclub en met de komst van een nieuw clublid gaat de groep zelfs over tot het actief betogen voor veranderingen in de samenleving, iets waar de Stasi zware consequenties aan hangt. Hoe lang kan ze nog onopgemerkt doorgaan? Hoe lang voordat de Stasi een interesse in haar zal nemen?

1989 – ‘Ze intimideerden me. Bedreigden me. maar ik kan het niet laten rusten. Ik wil het niet laten rusten.’

Sybille woont nog steeds bij haar grootouders als haar tante overlijdt en op de begrafenis ziet ze opeens Marthe staan, haar nicht die al twaalf jaar verdwenen is. Marthe vraagt haar om hulp, maar Sybille begrijpt niet waarom ze teruggekomen is. Is Marthe wel te vertrouwen? Als haar opa in een rusthuis komt te liggen en haar oma een hersenbloeding krijgt, staat Sybille er alleen voor. Samen met een vriend gaat ze steeds vaker op bezoek bij een ondergrondse vredesbeweging. Wanneer ze ook in contact komt met een Stasi-agent die haar vraagt om haar vrienden te bespioneren, beseft ze dat ze gevaarlijk spel speelt. En dan verschijnen er scheuren in het regime…

Grensgangers vertelt een indringend en spannend verhaal over een te weinig besproken tijdperk. Sax schetst een duidelijk beeld van de spanningen, de angsten, maar ook de hoopvolle momenten die de inwoners van een verdeelde stad meegemaakt hebben. Haar achtergrond als historica zorgt ervoor dat deze ondergeschoven periode tot leven komt, al kan het Vlaamse woordgebruik sommige Nederlandse lezers misschien verwarren (‘Laat je niet zo doen!’;). Het ontgoochelende einde en de onbeantwoorde vragen zijn zowel een minpunt als een pluspunt: de interesse is gewekt en men wil méér lezen. Zelfs als je alleen op zoek bent naar een goed boek om te lezen, is Grensgangers een aanrader.

Eva Kuijlenburg, Hebban

***


Grensgangers

Wat het bouwen van de muur voor de inwoners van Oost Berlijn betekende en hoe het leven achter die muur er uitzag is het thema van Grensgangers, het nieuwe boek van de Antwerpse schrijfster Aline Sax. Ze werkte er zeven jaar aan, want deze historica wil dat alle historische feiten in haar boeken correct zijn.

Sax beschrijft drie perioden en elk van deze perioden heeft een eigen verteller. Als eerste is Julian aan het woord. Het is 1961. Julian woont in Oost-Berlijn, maar hij werkt in West-Berlijn. Hij is een zogenaamde´grensganger´ en daar wordt in het Oosten op neergekeken:´Wel profiteren van de goedkope huur, de sociale zekerheid en de lage prijzen in het Oosten en tegelijkertijd poen scheppen in het Westen en de kapitalist uithangen´. Julian heeft niet veel vrienden meer in het Oosten, maar dat kan hem niet schelen. Zeker niet als hij een relatie krijgt met de West-Berlijnse Heike.

Als de grenzen tussen Oost en West gesloten worden heerst er ongeloof. Julian kan van de een op de andere dag niet meer naar de andere kant. Hij verliest zijn werk en het contact met zijn vriendin. Julian besluit tot een ´republiekvlucht´ en samen met zijn broer (die Parijs en de Middellandse Zee wel eens wil zien) proberen ze over de grens te komen.

In het tweede deel is het 1977 en is de twintigjarige Marthe aan het woord. Zij is een nichtje van Julian. Zij studeert aan de universiteit, evenals met haar broer Florian. Broer en zus zijn lid van een club waar ze verboden boeken lezen en praten over wat beter kan in hun maatschappij. Zij willen niet naar het Westen, zij willen dingen veranderen van binnenuit. De Stasi, de Oost- Duitse veiligheidsdienst, houdt ze in de gaten en grijpt in.

Het derde deel van het boek neemt de lezer mee naar 1989 en deze keer is een ander nichtje van Julian de hoofdpersoon, Sybille. Zij werd jong door haar moeder in de steek gelaten en groeit op bij haar grootouders, de ouders van Julian. Sybille is tevreden met haar leven. Ze werkt in een supermarkt, ze heeft vrienden en ze heeft een oogje op een collega. Maar de familiegeschiedenis drukt ook op haar. Zeker als haar tante (de moeder van Marthe en Florian) zelfmoord pleegt en haar nichtje Marthe na twaalf jaar ineens weer opduikt.

Als haar grootmoeder een beroerte krijgt ontwikkelt ze een plan. Oma zal vrijwel zeker sterven, maar in het Westen heeft ze misschien kans op betere medische zorg. Sybille gaat proberen of ze in contact kan komen met haar oom Julian. Ondertussen broeit er wat in het Oosten en neemt het verzet tegen de beperkingen toe. Tegen beter weten in raakt Sybille daarbij betrokken.

Aline Sax laat drie verschillende mensen aan het woord die toevallig aan de oostkant van de Berlijnse Muur terecht zijn gekomen. Met Julian kan de lezer meeleven hoe het is als er binnen enkele weken een ondoordringbare grens opgetrokken wordt. Julians woede en machteloosheid is makkelijk mee te voelen. De beschrijving van de vlucht naar het Westen is geen spannend jongensboekverhaal. Er vallen doden en de achterblijvers betalen een hoge prijs.

Hoe het dagelijks leven achter de muur er uitzag wordt vooral in het tweede deel duidelijk. Marthe en Florian kennen weliswaar de regels van het spel (´Als je binnen de lijntjes kleurde, lieten ze je verschillende potloden gebruiken. Als je erbuiten kleurde, namen ze alle potloden af.´;)maar onderschatten de macht en invloed van de Stasi. De beschrijving van de gevolgen is indringend.

In Sybilles verhaal komt de familiegeschiedenis samen. Aline Sax kiest daarbij niet voor een happy end, dat zou te makkelijk zijn.

In het boek komt veel aan de orde; zo raakt Julian bijvoorbeeld betrokken bij een moord en wordt Marthe belaagd door een jonge man die zegt dat haar grootvader een oorlogsmisdadiger is. Binnen de familie wordt niet gepraat over de oorlog of de verdwenen familieleden. Sax hecht aan het einde van haar boek niet alle losse eindjes af. Zo weet niemand wat er met Julian is gebeurd en ook over de verdwijning van Marthe en Florian blijft veel onduidelijk.

Er zijn ook een aantal thema´s die minder goed uit de verf komen. Zo zijn voor Marthe en Florian de jonge Duitse verzetshelden Sophie en Hans Scholl erg belangrijk, maar hun geschiedenis is in Nederland nauwelijks bekend. Echt een misser is de uitwerking van de relatie tussen Marthe en Florian. Zij blijken zich ineens ook fysiek tot elkaar aangetrokken te voelen. Dit incestthema voegt niets aan het verhaal toe en is alleen maar verwarrend.

Sax is een goede verteller die de lezer echt meeneemt in de levens van haar hoofdpersonen. De beschrijvingen van het dagelijks leven dragen daar veel toe bij, vooral de opvallende details daarin. Bijvoorbeeld dat de ramen in het ziekenhuis blauw geschilderd zijn omdat ze uitkijken op het Westen, of dat bij de voorbereiding van een feestje meerdere menu´s uitgezocht worden omdat je van te voren niet weet wat er in de winkels zal liggen.

De Nederlandse lezer zal zich hier en daar verbazen over een Vlaams woord, zoals´rondhoren´ of ´opgekleed´ of de uitdrukking ´laat je niet doen´. Echt storend is het Vlaams als de menigte tijdens een protestbijeenkomst ´Stasi buiten´ scandeert. De Nederlandse lezer zal zich afvragen of ze nog ergens binnen koffie zitten te drinken.

Grensgangers is een monumentaal boek. Het laat de lezer veel kanten zien van het leven achter de muur. Voor iedere bezoeker aan Berlijn een must-read.

Susane Venings, Kinderboekenpraatjes

***


AANRADER: Grensgangers

Drie verhalen, drie levens, één familie, één stad. In 1966 ondervindt de Oost-Duitse Julian aan den lijve hoe het is om van de ene dag op de andere niet meer naar het Westerse deel van Berlijn te mogen. Hij besluit te vluchten. In 1977 maken zijn nichtje Marthe en haar broer Florian in Oost-Berlijn deel uit van een leesclub dat verboden boeken leest. Zij willen veranderingen maar komen in het vizier van de Stasi. In 1989 zorgt Sybille, eveneens in Oost-Berlijn voor haar grootouders. Als haar grootmoeder een hersenbloeding krijgt, wil Sybille hulp zoeken in het Westen, al moet ze daar middelen voor inzetten die ze liever niet inzet. En dan valt de Muur …

De auteur neemt de lezer mee naar drie periodes uit de Oost-Duitse tijd van Berlijn. Net bij het oprichten van de Muur, tijdens de ‘hoogdagen’ van het Oost-Duitse regime en bij de val van de Muur. Haar personages zijn telkens twintig jaar en hebben elk hun eigen redenen om in verzet te komen tegen het regime. Ze behoren tot dezelfde familie, maar over bepaalde familieleden wordt niet gesproken. Het zorgt al snel voor een beklemmende sfeer.

Die sfeer wordt met elk verhaal duidelijker. In het eerste verhaal ontdekt de lezer mee hoe er in het begin van de opdeling van Berlijn, mensen nog gemakkelijk van het Oosterse naar het Westerse deel kunnen en omgekeerd. Tot het – tot verbijstering van de mensen in Oost-Berlijn – op een dag totaal niet meer mag. Zo ziet Julian zijn relatie met de in West-Berlijn levende Heike plots afgebroken. In het tweede verhaal is de invloed van het regime diep in de samenleving doorgedrongen en andersdenkenden zijn hun leven niet veilig. En niemand is te vertrouwen. In het derde verhaal lijken er barsten in het systeem te komen, maar de greep van het regime is nog steeds enorm en erg bedreigend.

Door deze drie periodes te beschrijven krijgt de lezer een erg goed beeld van de levensomstandigheden van deze mensen en de impact van het regime op het leven. De auteur weet de lezer te boeien met personages van vlees en bloed, met verwachtingen, hoop en vrees, angst en wantrouwen. Op één element heeft het regime weinig of geen impact en dat is de liefde. De gevoelens van de personages worden erg accuraat beschreven en de lezer leeft mee met de personages.

Het slot van het verhaal laat wel een wat bittere smaak na. Blijkbaar slaagde het Oost-Duitse regime erin om zelf in het Westen levende mensen in haar greep te houden.

Een verhaal in drie delen dat toch een geheel vormt over een periode in Duitsland waarover weinig verteld wordt en die erg snel in de vergetelheid is geraakt.

Een erg sterke aanrader!

Pol Van Damme – Pluizuit

***


Tussen twee vuren

Stel je eens voor dat je in een grote stad woont – als je daar niet al woont natuurlijk. Er is altijd veel te doen, genoeg mensen op straat en je kunt gaan en staan waar je wil. Dan opeens kun je van de een op andere dag niet meer naar de andere kant van de stad. Wie dat wel probeert, riskeert een grote straf. Je mag er niets van zeggen, anders word je ook gestraft. Leg jij je er dan bij neer of probeer je er wat aan te doen?

Het overkomt de inwoners van Berlijn in 1961 door de bouw van de Berlijnse Muur. De Oost-Berlijnse familieleden Julian, Marthe en Sybille in ’Grensgangers’ van Aline Sax krijgen hier ieder op hun eigen manier mee te maken. Hun verhalen worden apart van elkaar verteld en spelen zich jaren na elkaar af. Julian is door De Muur opeens gescheiden van zijn vriendin in West-Berlijn, Marthe wil met verboden boeken en pamfletten laten zien dat ze het oneens is met de gang van zaken en Sybille raakt verstrikt in de politiek wanneer ze haar oma die in coma ligt naar West-Berlijn wil krijgen voor betere hulp.

De verhalen lopen in zekere mate in elkaar over: de personages komen op een bepaalde manier ook in de andere verhalen voor. Zo blijf je betrokken bij ze. Aline Sax beschrijft in het begin van elk verhaal waar haar personages mee bezig zijn, waardoor je ze eerst beter leert kennen. Gaandeweg wordt zichtbaar hoe weinig vrijheid er is in Oost-Berlijn en daardoor wordt de spanning steeds verder opgebouwd. Aline Sax weet op een prangende manier duidelijk te maken dat er geen weg meer terug is. Zeker als er een stap verder wordt gegaan: van protesten tot vluchten naar West-Berlijn. Daarbij worden de gedachten en gevoelens van de hoofdpersonages niet uit het oog verloren. De worstelingen en dilemma’s van Julian, Marthe en Sybille zijn op deze manier ontzettend voelbaar. Het maakt ‘Grensgangers’ tot een verhaal dat in je kruipt en je niet meer loslaat.

Elk verhaal loopt af met een open eind. Dat gebeurt op een kritiek punt, wat je even stil maakt. Er blijven nog vragen onbeantwoord, waardoor er veel ruimte is overgelaten om het zelf in te vullen.

Er is in ieder geval één ding wat uit alle verhalen spreekt: de hoofdpersonages zijn een bepaalde weg ingeslagen en moeten leren omgaan met de gevolgen ervan. Opkomen voor wat je graag doet en wil, leidt bij Julian, Marthe en Sybille niet altijd tot een gelukkige afloop. ‘Grensgangers’ geeft zo een realistisch beeld van het beklemmende leven in Oost-Berlijn. Aline Sax draait er niet omheen en daagt je uit om er verder over na te denken.

Suzan, Leesfeest



De wereld van Heivisj

Posted by Annick Lentacker on August 15, 2019 at 5:35 AM Comments comments (0)


https://www.scholieren.com/

BennyLindelauf is geboren op 15 December 1964 in Sittard. Hij woont nu in Rotterdam.

Hij studeerde inrichtingswerk aan de Mikojelacademie en hij studeerde dans aan de Theaterschool in Amsterdam.

Benny Lindelauf maakte zijn eerste boekdebuut in 1998 met het boek ‘Omhoogvaldag’. Daarna heeft hij nog vele boeken geschreven. In 2004 schreef hij het boek ‘Negen Open Armen’, hiermee won hij vele prijzen waaronder de ‘Gouden Zoen’. Het boek ‘Hemel van Heivisj’ schreef hij in 2010 en dit boek is een vervolg op het boek ‘Negen Open Armen’. Met het boek ‘Hemel van Heivisj’ heeft hij ook vele prijzen gewonnen waaronder de ‘Woutertje Pieterse Prijs’.


Titelverklaring

De titel van het boek is ‘De hemel van Heivisj’. Het woord Heivisj betekent naar huis. Het paard Heivisj had altijd licht nodig, helder licht net als de hemel. Toen de ‘Zwartjassen’ het licht van Heivisj doofden sloeg hij op hol en hij zorgde ervoor dat Fing en Liesl konden ontsnappen en dus naar huis konden.

Het boek heeft geen ondertitel en ook geen motto.


Eerste verwachtingen

Ik heb dit boek gekozen op aanraden van mijn lerares. Toen ik de achterflap las:

Zuid Limburg, 1938. Fings droom is zojuist in duigen gevallen. In plaats van dat ze mag doorleren voor onderwijzeres, moet ze gaan werken bij de Sigarenkeizer. Het werk stelt niet veel voor: ze wordt oppas van Liesl, het eigenaardige joodse nichtje van de vrouw van de baas. Maar dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit en Liesl blijkt in groot gevaar. De enige die haar kan helpen is Fing. Als het noodlot afwendbaar lijkt, krijgt Fing op wonderbaarlijke wijze hulp. Niet van mensen maar van een mijnpaard genaamd Heivisj en een stokoude linde. Maar zal de redding op tijd zijn?

Ik verwachtte dat het een spannend verhaal zou zijn. Ook verwachtte ik dat Liesl en Fing goede vriendinnen zouden worden en dat Liesl een leuk meisje zou zijn om mee te spelen.

Mijn verwachtingen zijn wel en niet uitgekomen, Liesl bleek geen leuk meisje te zijn, eerst niet, maar later werd ze wel dankbaarder en dat maakte haar een mooier persoon. Het verhaal was wel spannend om te lezen, soms durfde ik niet verder te lezen, omdat ik bang was dat er iets vreselijks zou gebeuren met Liesl en Fing. Ik ben blij dat ik het gelezen heb, ik vond het een mooi verhaal.


Samenvatting


Deel 1

Het verhaal begint als de hoofdpersoon Fing uitgekozen wordt door een commissie om een vervolgopleiding te volgen. Deze commissie betaalt de opleiding. Fing is verheugd over dit aanbod maar weet dat haar oma niets van liefdadigheid moet hebben. Fing woont met haar vader, vier broers, twee zusjes en oma Mei in één huis, met de naam ‘Negen Open Armen’. Haar moeder is overleden.

Op een zaterdag hebben de directrice en Fing een afspraak bij de commissie, als ze weer buiten komen staat oma Mei daar, die is achter hun geheim gekomen en is woest. Ze neemt Fing mee naar de rijke Sigarenkeizer en zijn vrouw ‘de Pruusin’, hier kan Fing werken.


Deel 2

In deel twee wordt er vooral verteld over Fing haar tijd bij de Sigarenkeizer. Fing denkt dat ze huishoudelijk werk moet gaan doen, maar ze wordt eigenlijk ingehuurd om vriendinnen te worden

met de Pruusin haar Duits Joodse nichtje Liesl. Liesl is geen leuk meisje om mee te spelen, ze is eigenwijs en drijft altijd haar zin door. Op een dag leert Fing twee tuinjongens kennen, de één het Filip en de ander zijn naam komt ze niet achter, maar deze jongen staat bekend in het dorp als de Imbeciel. Ook leert Fing Liesl beter kennen, Liesl steelt spullen van de hoofdhuishoudster Anna.

Op een dag gaat het slecht met Jes, Fing’s zusje. Als Liesl langs komt om te kijken hoe het met Jes gaat barst Fing uit van woede. Ze vertelt Liesl dat ze wordt betaald om met haar te spelen en dat ze haar niet aardig vindt. Als Fing de volgende dag weer moet werken moet ze direct op gesprek komen. De Pruusin vertelt haar dat ze de gestolen spullen in Fing haar kast gevonden heeft en Fing is dus ontslagen.


Deel 3

In deel drie krijgt Fing een nieuwe baan, als huishoudster, bij Mejuffrouw Vroon. Mejuffrouw Vroon is niet geliefd bij iedereen in het dorp, ze heeft namelijk een NSB’er in huis wonen, meester Govaerts. Ze krijgt vaak dreigbrieven in de brievenbus en op een dag is haar kat weg. Die wordt een paar dagen later afgeleverd in een jute zak waar weer een dreigbrief in zit. De kat is ingesmeerd met taaie zwarte pek en nog een paar dagen later gaat de kat dood. Ook krijgt Fing verkering met Filip, Filip is een ‘Zwartjas’, zo wordt de jeugdaanhang van de NSB genoemd. Fing leert ook de ‘Imbeciel’ beter kennen, hij heet Bér en hij stottert. Hij is vaak te vinden op het kerkhof net als Fing, ze leren elkaar beter kennen. Op een dag zoent Fing Bér. Die nacht worden de broers en de vader van Fing opgepakt, de broers hebben in de kerktoren geklommen terwijl het na tien uur was. Ze worden samen naar een fabriek in Duitsland gestuurd. Doordat Fing zo’n goed contact met meester Govearts heeft kunnen ze via hem brieven ontvangen en sturen naar hun broers en vader.


Deel 4

In deel vier blijft de familie brieven sturen naar hun familie en wordt Fing hechter met de ‘Zwartjassen’. Ze zoent voor het eerst met Filip en ze gaat met de ‘Zwartjassen’ mee op uitjes. Het gaat uit tussen Filip en Fing als Fing erachter komt dat Emmanues, een man met uitgesproken mening, mishandelt is door de ‘Zwartjassen’ midden in de nacht. Filip heeft hier aan mee gedaan en daar is Fing boos om. Fing neemt ontslag bij mejuffrouw Vroon, omdat ze niet meer met de NSB in aanraking wil komen. Op een dag heeft de Pruusin gevraagd of Fing langs komt, eenmaal daar vertelt de Pruusin dat ze weg moet, ze is joods, en ze vertelt Fing dat ze weet dat Liesl de schuldige was. Alle joden in het dorp worden die dag afgevoerd. Fing komt er ook achter dat Jes eten steelt en dat ergens heen brengt, ze besluit Jes te achtervolgen, Jes gaat naar een oude mijn en daar komt Fing erachter dat ze het eten naar de hond van Liesl brengt. Jes heeft die hond laatst gevonden en ze wilde niet dat de hond vermoord zou worden door de Duitsers. Ze besluiten samen de hond mee naar huis te nemen. Oma Mei wil dit niet hebben en jaagt de hond weg. Ook gaat Oma Mei steeds geheimzinniger doen, niemand mag nog in de kelder komen vanwege de rat die daar zit. Als Oma Mei op een dag weg is gaan ze toch kijken, in de kelder vinden ze Liesl.


Deel 5

In deel vijf gaat het verhaal over de onderduiking van Liesl. Oma Mei heeft Liesl daar laten onderduiken. De familie besluit dat Liesl mag blijven. Liesl mag niet naar buiten en overdag mag ze in het hele huis zijn, maar ’s nachts gaat ze naar de kelder. Op een gegeven moment krijgt de familie een brief van de ‘Pruusen’, de duitsers, dat er een controle gaat plaats vinden in huis. Er moeten namelijk gezinnen geplaatst worden bij andere mensen, omdat vele gezinnen hun huizen zijn kwijt geraakt door bombardementen. De familie probeert hier onderuit te komen, maar dit loopt uit op een mislukte poging. Fing moet op een dag naar de moeder van Fie om suiker en andere spullen te halen. Op de terugweg wordt ze door een vrouw de berm ingetrokken en er word haar verteld dat het pakketje om acht uur wordt opgehaald en dat moet naar de smid gebracht worden, tegen de smid moet gezegd worden dat het pakketje er is. Fing besluit Liesl naar de smid te brengen. Eenmaal daar loopt het helemaal fout, er zijn Zwartjassen en de smid, Liesl en Fing worden onder schot gehouden. Dan komt hun redding van het oude mijnpaard Heivisj. Heivisj zijn lichten worden gedoofd vanwege de bombardementen buiten de stal, alles moet donker zijn. Het paard Heivisj kan niet tegen donker en hij slaat op hol,hij verjaagt de Zwartjassen en rent iemand dood, hierdoor kunnen Fing en Liesl ontsnappen. Ze vluchten naar de oude mijn, hier vertelt Liesl over haar jeugd bij haar opa, oma en zus, die een poppenwinkel hadden. Op een avond zijn haar opa en oma weg en zijn er allemaal mensen bij hun huis, haar zus Reiba zegt haar zich te verkleden als pop en ze moet stil blijven zitten, voor haar zus is het net te laat om zich te verkleden dus die wordt opgepakt, Liesl wordt niet gezien en blijft achter. Uiteindelijk belandde ze bij haar tante en dus nu in de mijn.

De volgende ochtend worden ze gevonden door Bér, Bér brengt Liesl naar een veilige plek en Fing gaat naar huis, het huis van Fing is opgeblazen. Fing is heel ziek en ze is één oog kwijtgeraakt tijden de vlucht. Ze slaapt twee dagen en als ze wakker wordt zijn ze met de familie bij Fie, Fing krijgt een glazen oog. Het gaat steeds beter en ze mag weer naar buiten. Ook vertelt Bér haar dat Liesl veilig is.


Boodschap, thema en motieven

De boodschap van het verhaal is dat iedereen in staat is om een heldendaad te verrichten.

Jes redt de hond, oma Mei redt Liesl door haar in huis te nemen, Fing redt Liesl door zich samen in de mijn te verstoppen en Bér redt Liesl door haar naar een veilige plek te brengen. Zo verrichten ze allemaal een heldendaad.


De thema’s in dit verhaal zijn:

- Tweede Wereldoorlog: Het hele verhaal gaat over de oorlog die langzamerhand het leven van de dorpsbewoners in zijn greep krijgt.

- Jodenvervolging: De Joden uit heel het dorp worden in deel 4 gedeporteerd. Ook leert de familie Liesl kennen doordat zij in Duitsland vervolgt werd. In deel 5 staat dit thema ook centraal, want Fing probeert Liesl naar een veilige plek te brengen zodat ze niet gedeporteerd wordt.

- Familiebanden: In deze familie staat de oma, de vervangster van de moeder, aan het hoofd. Iedereen kan goed met elkaar opschieten en ze staan altijd voor elkaar klaar. De familie wil graag bij elkaar blijven, neem de broers en de vader, ze willen perse in dezelfde fabriek geplaatst worden.

- Volwassen wording: Fing is eerst een naïef meisje die geesten begroet en ze groeit tot een volwassen vrouw die een heldendaad verricht. Haar puberteit wordt in dit verhaal mooi beschreven.


De motieven in dit verhaal zijn:

- Wraak: De verwende Liesl neemt wraak op Fing, als zij boos op haar is. Het verzet neemt wraak op Mejuffrouw Vroon omdat zij met een NSB’er omgaat, namelijk meester Govearts.

- De wilg: Fing leert Filip en Bér kennen als zij de wortels van de wilg controleren in de Sigarenkeizer zijn tuin. De wilg in de tuin van ‘Negen Open Armen’ redt oma Mei van de dood. Ook praat Fing vaak over dieptegroeiers en breedtegroeiers en hiermee bedoeld ze ook de wilg.

- Lichamelijke beperkingen: Er zijn een aantal belangrijker personen in het verhaal die iets mankeren. Jes heeft een zwervel, oma Mei heeft een uilenoog, Bér stottert en Fing raakt haar oog kwijt.


Personen

-Fing is de hoofdpersoon van het verhaal, alles wordt vanuit haar ogen verteld. Fing is een slim meisje, ze mag doorleren voor lerares, maar dit wil haar oma niet hebben. Fing praat niet graag over haar slimheid, daar wordt ze verlegen van ;

“Ik haalde diep adem. ‘Omdat het gek is als je jezelf moet vertellen hoe goed je bent.’”

Fing moet werken bij de Sigarenkeizer, ze moet spelen met Liesl en hier krijgt ze betaald voor. Hierdoor voelt ze zich nutteloos.

Aan het begin van het verhaal is ze nog een naïef meisje die graag met haar zusjes speelt, Fing groeit in het verhaal tot een volwassen vrouw. Ze is minder naïef en heeft meer geloof in de mensen om haar heen.

“Ons bed was gekrompen. Ooit hadden we er met gemak ingepast. Maar dat was niet de enige verandering. We vlochten onze voeten niet meer in elkaar. En we zeiden Sjar en Nienevee geen goedenacht meer. In een wereld waar ze oude sjpenseleverkopers in elkaar sloegen, waar Judde steeds meer in het nauw gedreven werden en waar zogenaamd bevriende landen onze steden bombardeerden, was er geen plaats meer voor huisgeesten.

Ze is ook op zoek naar iets waar ze bij kan horen. Eerst hoort ze bij de Sigarenkeizer hun familie, dan meer bij de NSB en de Zwartjassen en uiteindelijk kiest ze voor haar eigen gedachten en redt ze Liesl. Vroeger had ze dit nooit gedurfd;

“ Ik was nooit een held geweest of iemand die op zoek was naar tragische tragedies.”

Fing is zeer hecht met haar zusjes Jes en Muulke. Fing is de oudste en voelt zich hierdoor altijd verantwoordelijk voor haar zusjes.


- Oma Mei is een hoofdfiguur in dit verhaal. Ze is de schoonmoeder van de Pap en oma van de vier jongens en drie meisjes. Haar dochter is overleden en haar man ook. Oma Mei heeft nog foto’s van haar dochter en man, hier praat ze tegen als ze het moeilijk heeft of als ze belangrijke beslissingen moet nemen ;

“ Dus nu lag onze grootvader in een afgesloten beschuitbus, en als onze grootmoeder behoefte had aan een luisterend oor haalde ze zijn foto eruit.”

Oma Mei wil alles in de familie zelf regelen en wil geen hulp in de vorm van geld. Zij is ook degene die het Fing verbiedt dat ze door gaat leren met behulp van liefdadigheidsgeld.

Oma Mei blijkt ook een held te zijn, ze neemt Liesl in huis en redt haar hiermee.


- Muulke is een hoofdfiguur in het verhaal en een zusje van Fing. Muulke wilde graag dat er oorlog kwam, dit leek haar namelijk spannend. Muulke slaapwandelt, hier neemt de familie vele maatregelen tegen, maar niets helpt ;

“Muulke was voorbij de haag geslaapwandeld tot bij de kazemat.”

Muulke was een brutaler meisje die meer durfde :

“We zijn aan het avondeten. Muulke was weer eens te laat.”


- Jes is een hoofdfiguur in het verhaal en het jongste zusje van Fing. Jes is lichamelijk beperkt, ze heeft een zwervel. Dat is een wervel die soms scheef zit. Hierdoor is Fing beschermend richting Jes, dit vind zij irritant. Jes weet zelf ook niet hoe gevaarlijk haar handicap is.

Jes is moedig, zij redt de hond van Liesl. Ook is ze het zorgenkindje.


- Liesl is een hoofdfiguur in het verhaal en het nichtje van de Pruusin. Liesl woonde eerst met haar zusje bij haar opa en oma in Duitsland. Ze werd vervolgd in Duitsland vanwege haar Joodse afkomst en zo belandde ze bij haar tante de Pruusin.

Liesl is een verwend meisje, het is niet leuk om met haar te spelen. Ze steelt ook spullen en hiervan geeft ze Fing de schuld.

“Toen ik haar wilde optrekken, hield ze zich stijf als een plank en kneep haar ogen stijf dicht.”

In dat citaat zie je de stijfkoppigheid en eigenwijsheid van Liesl terug.

Liesl doet zich heel stoer voor, maar ze heeft veel meegemaakt en is eigenlijk een meisje wat een hoop verdriet met zich meedraagt ;

“Liesl was nog wakker, ik zag haar ogen glimmen. Ze lag op een strozak aan mijn kant van het bed. Ze zei niets. Toen ik ging liggen voelde ik haar hand. Ze pakte me niet vast, maar voelde ‘m heel licht, tegen de stof van mijn nachthemd. En ik weet dat ik ‘m vast had moeten vastpakken, het was zo’n kleine moeite geweest, maar ik kon het niet, omdat ik niet wist wat er zou gebeuren als ik haar lcihte hand zou oppakken en ik er zo’n verschrikkelijk zwaar verdriet in zou vinden.”


- De Pruusin is een bijfiguur in het verhaal en zij woont samen met de steenrijke Sigarenkeizer. Zij zat in vele commissies in het dorp, onder andere in de commissie die een arm meisje kozen om verder te leren.

Ze verwend Liesl graag en snapt het dus ook niet dat Liesl spullen steelt.

De Pruusin was ook Joods en wordt later afgevoerd, omdat ze niet getrouwd was met de Sigarenkeizer.


- Filip is een bijfiguur in het verhaal. Hij is een Zwartjas en het ex-vriendje van Fing.


- Bér is een bijfiguur in het verhaal. Hij staat in het dorp bekend als de Imbeciel, omdat hij ooit bij een begrafenis de kist had laten vallen. Bér brengt Liesl aan het einde van het verhaal naar een veilige plek. Ook wordt hij goed bevriend met Fing.


- Mejuffrouw Vroon is een bijfiguur in het verhaal. Fing helpt haar in de huishouding. Mejuffrouw Vroon heeft het niet zo met de Pruusin, Fing kan daarom ook goed met Mejuffrouw Vroon opschieten, want ze kunnen roddelen. Ze heeft een NSB’er bij haar in huis wonen, hierdoor is ze niet zo geliefd in het dorp.


- Meester Govaerts is een bijfiguur in het verhaal. Hij is de NSB’er die bij Mejuffrouw Vroon in woont. Hij is leider van de NSB in het dorp.


Perspectief

Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Fing. Doordat je over de schouder van Fing meekijkt leef je eigenlijk altijd met haar mee. In sommige gevallen zou ik best willen dat het verhaal ook vanuit Liesl haar perspectief wordt verteld. Fing vond Liesl niet aardig en Liesl deed rare dingen. Als het verhaal ook vanuit Liesl’s perspectief wordt verteld kom je er ook achter waarom Liesl steelt, haar zin door drijft enzovoort.

Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Fing. Doordat je over de schouder van Fing meekijkt leef je eigenlijk altijd met haar mee. In sommige gevallen zou ik best willen dat het verhaal ook vanuit Liesl haar perspectief wordt verteld. Fing vond Liesl niet aardig en Liesl deed rare dingen. Als het verhaal ook vanuit Liesl’s perspectief wordt verteld kom je er ook achter waarom Liesl steelt, haar zin door drijft enzovoort.

Het verhaal is ook spannend doordat het vanuit Fing haar perspectief wordt verteld. Fing bemoeit zich niet met de oorlog en ze zegt er ook niks van te merken. Op het einde als ze Liesl redt wordt Fing meegesleurd in de oorlog. Dit maakt het spannend, want niemand weet wat er komen gaat, ook Fing niet.

Ook krijgen we niet te merken wat andere personen in het verhaal van Fing denken. Hierbij kom ik weer terug op Liesl. Ik zou graag willen weten wat zij van Fing vindt.

Aan deze citaten is het te zien dat het een ik-perspectief is :

“Ik hoorde een stoel schuiven.”

“Ik kon me niet meer inhouden.”

“’Niks’, zei ik.”


Tijd

Dit verhaal speelt zich af van 1938 tot en met 1943. Het verhaal wordt chronologisch verteld. De schrijver maakt gebruik van:

- Flashback: Liesl vertelt over haar jeugd als ze in de mijn zijn, hier denkt ze aan terug.

- Tijdsprong: Als ‘de Pap’ en broers zijn opgepakt en de vrouwen hebben hun leven weer opgepakt zegt Fing: “Zo gingen er vier maanden voorbij.”. In die maanden is er niets gebeurd en daarom maakt de schrijver hierbij gebruik van tijdsprong.

De vertelde tijd was langer dan de verteltijd. De vertelde tijd was namelijk 5 jaar en ik las het boek in drie dagen.


Ruimte

Het verhaal speelt zich vooral af in het huis ‘Negen Open Armen’. Dit is het huis van de familie Boon. Het huis staat in een streek die de ‘Sjlammbams Sahara’ wordt genoemd. Het is een huis met een kelder waar een rat woont en leefbaar voor de familie Boon.

Het was geen mooi huis om te zien ;

“Negen Open Armen was niet bepaald een lieflijk huis. Het stond bokkig met de rug naar de wereld toe, ver buiten de stad, naast het stadskerkhof. Mooi kon je het al helemaal niet noemen, met zijn verweerde brokkelige bakstenen, de scheefgetrokken raamlijsten en het dak met rode en zwarte dakpannen, kriskras door elkaar als de vleugels van een vogel in de rui.”

Ook speelt het verhaal zich af bij de Sigarenkeizer thuis. Dit is een groot huis en altijd keurig schoon.

“Ik durfde nauwelijks over de plavuizen te lopen, zo schoon en glimmend waren ze.”

In deel 3 en 4 speelt het verhaal zich vooral af in het huis van Mejuffrouw Vroon. Dit was een normaal gezellig huis ;

“Mejuffrouw Vroon woonde in een smal witbepleisterd huis, met haar kater en iemand die bij haar op zolder in pension was.”

Ook speelt het verhaal zich af in de oude mijn waar Liesl en Fing moeten schuilen. Dit is een donkere gang waar Fing en Liesl niks kunnen zien.


Stijl

De schrijver maakt afwisselend gebruik van korte en lange zinnen. Het taalgebruik is eenvoudig te lezen, hij maakt echter wel gebruik van vele Limburgse, Joodse en Duitse woorden. Er staat een woordenlijst achterin het boek, hiermee kun je het vertalen.


Waardering

Ik vond het een mooi en spannend boek om te lezen.

Ik leefde mee met de hoofdpersoon, vooral toen ze niet door mocht leren van haar oma. Ook als ze beschuldigd wordt van diefstal. Als lezer weet je dat ze het niet gedaan heeft en dat is frustrerend.

Ook zou ik graag willen dat het verhaal soms ook vanuit Liesl haar perspectief verteld zou worden, om haar beter te begrijpen.

Dit boek is zeker een aanrader en ik ben ook van plan om deel één en het nog uit te komen deel drie te gaan lezen.


Kelderkind

Posted by Annick Lentacker on August 15, 2019 at 5:20 AM Comments comments (0)


Ik hed het boek al twee keren eerder geleend en iedere keer weer ongelezen terug gebracht naar de bibliotheek.  Waarom?  Te dik?  Griezelige kaft?  Te grote associatie met Dutroux?

Blij dat ik het tenslotte loch gelezen heb!

http://www.lees-wijzer.be/begeleider/boek/kelderkind


Recensie


Het boek gaat enerzijds over Manfred Ostheim, een man met een hazenlip. Anderzijds over de mysterieuze Kaspar Hauser. Zij blijken uiteindelijk iets gemeen te hebben... Kaspar Hauser wordt op Pinkstermaandag 1828 gevonden op de Unschlittplatz in Neurenberg. Hij ziet er armzalig uit, kan niet veel zeggen - enkel ‘wille ruiter worden als vader’ - en kan amper lopen. Twee brieven, een vreemde rozenkrans en een Bijbeltje zijn alles wat hij bij zich draagt. Niemand weet wie hij is of waar hij vandaan komt. Zijn naam komt in het nieuws en mensen willen naar hem komen kijken. De burgemeester, een dominee en liefhebbende mensen nemen zijn lot ter harte, maar anderen beschouwen hem als een leugenaar en een bedrieger. Isolde neemt hem ten slotte onder haar hoede en probeert te achterhalen waar deze geheimzinnige jongen vandaan komt. Kaspar leert ontzettend snel. Op vraag van Isolde schrijft hij zijn levensverhaal neer. Maar al snel blijkt dat Kaspar niet veilig is. Wie is deze jongen toch?

De man die hier meer van weet, is Manfred. Kaspar groeide op in de stilte en de duisternis van een kelder. Eten en drinken werden hem aangereikt. Vele jaren was hij niemand. Toen kwam Vaterman die hem tot iemand maakte. Hij kreeg een speelgoedpaardje, een naam en een toekomst.

Manfred, de man met een hazenlip, werd als kind ontzettend gepest omwille van zijn uiterlijk. Hij was een misvormd kind dat anderen angst aanjoeg. Op een dag wordt hij geholpen door Johann Hennenhofer, een kleine jongen op zijn school. Manfred is hem ontzettend dankbaar en zegt hem dat hij iets wilt terugdoen. 'Als je ooit mijn hulp nodig hebt, dan roep je me.' Ondanks zijn uiterlijk hielden zijn ouders van Manfred, ze geloofden dat hij een toekomst had. Zijn moeder koesterde hem, voor zijn vader was hij een kleine koning. Maar het leven verloopt niet steeds naar wens. Na de dood van zijn vader wordt alles anders. Een boze stiefvader behandelt de kleine Manfred als een rivaal; de duur betaalde operatie mislukt en het mooie babybroertje herinnert hem dagelijks aan zijn eigen lelijkheid. Na de dood van zijn moeder gaat Manfred zijn eigen weg. In het leger vindt hij eindelijk erkenning en iemand geeft hem een plaats en een opdracht aan het hof, helaas niet zonder eigenbelang. Daar wordt Manfred verliefd op het kindermeisje Rosita en ondanks zijn schichtig hazenbestaan is hij even gelukkig. Maar ook dan loopt het weer fout. Politieke intriges aan het hof vergiftigen dat vleugje geluk. Jaren later verschijnt Johann terug in Manfreds leven en hij heeft zijn hulp nodig. Johann is ondertussen officier en vraagt hem te spioneren. Hoewel Hennenhofer een goede vriend lijkt te zijn, maakt hij misbruik van zijn positie. Stilaan komt Manfred hierachter. Maar kan hij nog iets veranderen? Manfred wil zich wreken op Vlinderhuid, de babyjongen die onbewust zijn dromen stuksloeg. Hij wil zich wreken, maar kan niet. Telkens als hij dat kind in de ogen ziet, kijkt hij ook in de doffe spiegel van zijn eigen kindertijd.

In dit adembenemend verhaal verweeft Kristien Dieltiens de lotgevallen van Manfred met die van Kaspar Hauser. De gebeurtenissen worden nooit rechtlijnig verteld. Al in de proloog ontmoet de lezer de man met de groene sjaal en het slapende kind. Maar pas veel later ontdekken we wie hij is, dat hij het kind wil doden en waarom de jongen toch in leven blijft. In een lange flashback leren we dan afwisselend Manfred en de jongen beter kennen. De stukjes uit het dagboek van Kaspar vervolledigen de puzzel. Terwijl de lezer zelf langzaam het geheim van het kelderkind ontraadselt, moet hij met ontzetting toezien hoe de omstanders, ook diegenen die het goed met hem voorhebben, daar niet in slagen. Kaspar, het kelderkind, zal zijn geheim mee in het graf nemen.

Zoals in haar andere historische romans wekt Kristien Dieltiens ook nu het verleden echt tot leven in een wisselend decor van armenhuizen, paleizen, stallen en kelders. De personages reizen op een paardenrug of in de koets. Religie en magie spelen een belangrijke rol. Feestdagen ordenen het jaar. Manfred leert van zijn moeder omgaan met heiligen en doden. Geuren en kleuren gidsen hem door de duisternis van het bestaan. Het leven is hard voor wie onderaan de sociale ladder staat en al helemaal voor wie zoals Manfred een zichtbare handicap heeft. Haas wordt hij genoemd en dat gaat ook zijn gedrag bepalen: hij wordt schichtig, listig en bang.

Maar Kelderkind is ook een verhaal over liefde. Twee moeders geven hun leven om een kind te redden en ook Isolde behandelt Kaspar alsof hij haar eigen kind was. Als Manfred weet wat liefde betekent, dan is het omdat zijn moeder er alles voor over had om hem een gelukkige toekomst te geven. Schoonheid en gebrek worden in dit boek genadeloos tegenover elkaar geplaatst, maar het verhaal laat zien dat ook de underdog een kans heeft. Manfred baant zich moeizaam een weg en blijft overeind na de dood van zijn moeder. Het noodlot treft eerst de sterke baby en niet de frêle Vlinderhuid.

Hoewel Dieltiens een historische psychologische misdaadroman schreef en zich baseerde op waargebeurde feiten en theorieën, krijgt de lezer tussen de adembenemende en gedetailleerde beschrijvingen nog steeds voldoende ruimte om de eigen fantasie en creativiteit te gebruiken om de lege gaten op te vullen, de puzzel van Kaspar en Manfred te leggen, en de drive om vol spanning dit knappe boek in één ruk te willen uitlezen. Dieltiens gaf het grillige en onwaarschijnlijke verhaal van Kaspar een samenhang en een diepgang die uitnodigt om na te denken over de diepste gevoelens die mensen voortdrijven: liefde, trouw, machtsmisbruik en verraad.

- Door Rita Ghesquiere & Renate Theunissen -


Leuke weetjes

Kaspar Hauser heeft echt bestaan, hoewel het hoe en wat van zijn leven een mysterie bleven en erg veel theorieën deden ontstaan. Zijn bizarre geschiedenis beroerde de toenmalige wereld en vond de weg naar liederen en verhalen. Die gebruikte Kristien Dieltiens als uitgangspunt. Historische feiten en gebeurtenissen vulde ze aan vanuit haar verbeelding en zo ontstond een levendig psychologisch verhaal over mensen van vlees en bloed.


Meer leren over dit onderwerp

Wie meer te weten wil komen over Kaspar Hauser, kan onderstaande website raadplegen:

http://nl.wikipedia.org/wiki/Kaspar_Hauser


Links

Meer info over de auteur van dit boek en haar ander werk ontdek je op:

http://www.eenhoorn.be/eenhoornsite/auteurs/auteurs.php?naamvol=S...

http://www.villakakelbont.be/html/auteurs/auteursContent.asp?show...


Wie meer te weten wil komen over de illustrator, kan terecht op onderstaande websites:

http://users.telenet.be/carllcneut/uk_index.html

http://www.eenhoorn.be/eenhoornsite/auteurs/auteurs.php?naamvol=Q...


Multimedia

In 1993 werd ook een filmbewerking van het verhaal gemaakt:

http://www.imdb.com/title/tt0110246/


Enkele interessante artikels over dit boek kun je lezen op onderstaande websites:

http://www.knack.be/nieuws/boeken/nieuws/woutertje-pieterse-prijs...

http://www.cobra.be/cm/cobra/boek/boek-recensie/boek-jeugd-recens...

http://www.woutertjepieterseprijs.nl/WPP/2013/winnaar_13.htm


Doe-opdrachten

Een leuke vakoverschrijdende opdracht voor Nederlands en Geschiedenis zou kunnen zijn:

'Je krijgt een mysterieuze persoon en probeert zelf een korte (realistische) biografie te schrijven of zijn verhaal vanuit je eigen creatieve fantasie aan en op te vullen.'


Dit boek kan verder ook gelinkt worden aan een actueel thema rond kinderverwaarlozing en materiaal leveren voor een klasgesprek rond actualiteit en samenleving.

Hoewel Kaspar uit de 19de eeuw afstamt, zijn ook in onze huidige maatschappij dergelijke gevallen van verwaarlozing (en mishandeling) jammer genoeg nog steeds gekend.




De hondeneters

Posted by Annick Lentacker on August 15, 2019 at 5:10 AM Comments comments (0)


Thema


Eind 1917, in volle oorlogstijd, loopt Victor weg van huis om zijn herdershond te zoeken. Uit zijn vaders bureau steelt hij een mes, geld en een pak brieven van zijn broer, die aan het front zit. Op de armenmarkt hoort Victor dat in deze hongerwinter elke hond gevaar loopt. Hij kan niet anders dan het pad van de hondenvangers volgen, langs verraderlijke rivieren en hongerige moerassen.

In de ruige, verarmde Rupelstreek ontmoet Victor het schoonste meisje van de wereld, brutale straatmadelieven, de vrouw met de baard, en… de hondenslachter van Boom.

Een spijkerharde roman over de grote oorlog en de grenzen van de menselijkheid.


Loop, fiets of skate zelf

Victors tocht van Mechelen

naar Hellegat.


Pers


Interview verschenen op 18 januari 2008 in het magazine Letters van Standaard Boekhandel (verschijnt ook als bijlage bij Het Nieuwsblad)

John Vervoort: Marita de Sterck: ‘Ik hou van orale verhalen’


Het zijn drukke tijden voor Marita de Sterck. Op korte tijd verschenen twee boeken van haar; het prentenboek Boto, een liefdesverhaal uit de Amazone, met prachtige tekeningen van Jan Bosschaert, en de roman voor adolescenten De hondeneters, een verhaal dat zich afspeelt tussen Mechelen en Boom in de laatste dagen van 1917. Beide boeken kunnen zeker ook door volwassenen gesmaakt worden£

De Sterck is antropologe en verbleef bij de indianen in het Amazonegebied. Daar is ondermeer een tentoonstelling uit geboren die nu loopt in het Etnografisch museum Antwerpen. Maar ze is ook geboeid door de orale vertelkunst, vooral door verhalen rond vrouwelijkheid en rituelen. Boto is het verhaal van de opmerkelijke liefde tussen een roze dolfijn en een jonge vrouw. De hondeneters vertelt over een jongen die tijdens de laatste winterdagen van 1917, toen de Grote Oorlog nog uitzichtloos leek en het hele land niet alleen kou maar ook honger had, op zoek gaat naar zijn Mechelse herdershond. Hij is bang dat de hond meegenomen werd door mensen die het beest willen slachten voor het vlees. Die hond is levensnoodzakelijk voor hem omdat de jongen lijdt aan epilepsie en de hond de aanvallen kan voorvoelen. Zijn zoektocht brengt hem van Mechelen naar Boom, hij volgt de loop van de rivieren in de buurt, waarbij hij vele kleurrijke figuren ontmoet zoals de overzetman van het Zennegat en de vrouw met de baard. Op de website van Marita de Sterck is de juiste weg te vinden die de jongen aflegt.

Marita de Sterck: ‘Ik heb de weg die mijn hoofdpersonage aflegt ook verschillende keren gelopen. Ik ben opgegroeid in Niel aan de Rupel. De Rupelstreek is een boeiende maar wat grauwe biotoop. Mijn vader was tien toen de Eerste Wereldoorlog begon. Hij kon daar heel boeiend over vertellen. Ik heb daar een blijvende liefde voor het mondelinge verhaal aan overgehouden. De verhalen van mijn vader gingen vaak over de winter van ’17. In mijn familie zijn er niet meteen echte strijdslachtoffers gevallen maar nogal wat mensen zijn overleden van honger en ontbering in of kort na die moeder van alle oorlogen. Met al die verhalen die ik in de loop van de tijd gehoord had wilde ik iets doen. Dat is dit boek geworden.


Het lijkt erop dat u erg uitgebreid research gedaan hebt.

‘Dat is waar, het is ook iets wat ik heel graag en uitgebreid doe. Ik ga graag tot bij de mensen die dergelijke verhalen nog kunnen vertellen. Ik heb de lokale historici opgezocht. Ik heb grote bewondering voor die vaak heel bevlogen amateur-historici die soms heel ver gaan in hun zoektocht naar het verleden van de streek waarin ze opgroeiden. Dat levert een schat aan verhalen op. Ik moest zelfs selecteren om het boek niet te overladen met alle verhalen die ik te horen kreeg.’


U situeert uw verhaal weg van het oorlogsgeweld in een Vlaams dorp waar vooral de honger een probleem is.

‘Ik wilde vertellen over een dorp dat niet in de frontlinie lag maar waar de gevolgen van de oorlog, zoals in alle Vlaamse dorpen, duidelijk voelbaar was. Haast iedere familie had wel jonge vaders of zonen die ofwel vochten in de West-Vlaamse dodenakkers of die naar Duitsland waren getransporteerd om er te werken in de fabrieken om de oorlogsmachine draaiende te houden. De berichten van het front waren schaars en de brieven die af en toe aankwamen werden als relikwieën gekoesterd. Ik heb een frontblaadje geraadpleegd dat de Rupelgalm heette en allerlei nieuws bevatte uit die periode en uit die streek dat werd opgestuurd naar de soldaten uit de Rupelstreek die aan het front vochten. Vele details uit het boek komen daaruit, bijvoorbeeld het motief van de voedselvervalsers. Mensen die melk en brood zo perfect na konden maken dat het een vaak een gevaar voor de volksgezondheid inhield.


En die hondeneters hebben echt bestaan.

‘In Boom, buiten de dorpskom, had je een paardenslachterij. Toen de paarden en de koeien en de schapen op waren was het de beurt aan de kleinere huisdieren. Er was zelfs een reglement van hoe die honden geslacht moesten worden. Er bestaan zelfs nog lijsten van mensen die hun honden brachten om ze te laten slachten. Maar er waren ook mensen die loslopende honden gingen vangen en toen de voedselschaarste echt heel erg was werden honden zelfs gestolen.’


Uw hoofdpersonage lijdt aan epilepsie.

‘Ik wilde een personage voor wie het bijna van levensbelang was om zijn hond terug te vinden. Er is nogal wat discussie over maar blijkbaar kunnen honden, wanneer er een hechte band is tussen dier en baas, voorvoelen wanneer het baasje een aanval krijgt. Zo kon de hond hem waarschuwen waardoor hij tijdig kon gaan zitten. Het was in ieder geval intrigerend genoeg om in de roman te verwerken. Ik ben zelfs naar een hondenschool geweest om Mechelse herders te observeren.’


Hoe bent u in het Amazonewoud terecht gekomen?

‘Dat heeft te maken met mijn achtergrond als antropologe. Ook daar kom je die verhalen tegen die niet alleen prachtig van taal en symboliek zijn maar ook knap opgebouwd als vertelling. Daaruit is Boto geboren, het verhaal van een dolfijn die verliefd wordt op een meisje en vice versa. Het boek dat ik samen met Jan Bosschaert heb gemaakt zit tussen een prentenboek en een graphic novel in. De tekeningen van Jan zijn heel mooi en zelfs subtiel erotisch zonder vulgair te zijn. De originelen zijn nog tot 6 maart te bekijken in Permeke Bibliotheek.



NRC Handelsblad, 3 april 2009

Karel Berkhout : Puberen tussen leven en dood


In een verlaten landschap zitten drie meisjes gehurkt bij een klein vuurtje. Liefdevol strelen ze de katjes die ze straks zullen slachten. Met hun helderblauwe ogen betoveren de drielingzusjes de jonge bezoeker die ze later zullen beroven.

Met dergelijke nachtmerrieachtige scènes schetst Marita de Sterck de Eerste

Wereldoorlog in de historische jeugdroman De hondeneters. De Vlaamse auteur won in 2007 een Zilveren Zoen met Kwaad Bloed, een jeugdboek over een verstikkend meisjesinternaat dat de Gouden Zoen had verdiend.

De hondeneters speelt zich overwegend buiten de muren af, maar is desondanks een nog veel beklemmender boek.Dat komt vooral doordat de 17-jarige hoofdpersoon niemand kan vertrouwen, en vooral zichzelf niet. Notariszoon Victor is namelijk epileptisch. Zijn steenrijke ouders hebben hem zijn hele leven van de buitenwereld afgeschermd. Maar als zijn hond is verdwenen, gaat Victor hem zoeken. ‘Vanaf heden wil Victor leven als een man’, schrijft hij in zijn afscheidsbrief. Een riskante onderneming in 1917, want de oorlog is ‘nu ook buiten het front losgebarsten’. Victor kan ook elk moment met zijn stuiptrekkingen de omstanders schrik aanjagen. Met deze mooie vondst geeft De Sterck de zoektocht suspense.

De tocht voert langs wonderlijke figuren als een vrouw met een baard en een meedogenloze hondenslachter en brengt gruwelijkheden als de vergiftiging van baby’s, de moord in een bordeel en honden die een lijk verscheuren. Deze beelden worden hallucinerend in de ogen van de wereldvreemde Victor, die vaak geveld wordt door de epilepsie. ‘Levend kunt ge dat toch niet noemen’, moppert een volksvrouw na een aanval: ‘Hier is hij niet, maar waar dan wel?’

De schemering tussen leven en dood is een prachtige metafoor voor de oorlog die ver weg is en toch het dagelijks leven doordrenkt. Dit niemandsland wordt surrealistisch in een hondenslachterij en in een kerk, waar wanhopige moeders oproer kraaien bij de foto’s van hun gesneuvelde zonen. De Sterck grijpt bij het schilderen van deze scènes ook naar de Griekse mythologie. De hebzuchtige veerman bij de rivier is rechtstreeks afkomstig uit de Hades en de drie fatale zusjes zijn de Sirenen van Odysseus.

In dit volle boek ontglipt De Sterck wel wat; de hoer-met-het-gouden-hart is clichématig neergezet, Victors toevallen verdwijnen wel erg plotseling. Maar ze maakt het verhaal levendig en geloofwaardig door de personages in volks Vlaams neer te zetten als wezens met een enorme overlevingsdrang.

Onder de apocalyptische beelden leeft een aards verlangen naar vreten en neuken. De hondenslachter heeft ‘goesting’ in zijn broek, zijn vrouw doet het met een Duitse soldaat en Victor geilt op een van de zusjes. Als Victor door een hoer wordt ontmaagd, heet het: ‘Als sterven was het, als leven en ziel verliezen.’

Wat sterft is het oude kinderleven van Victor. In zijn nieuwe leven duiken seks en dood in volle hevigheid op. Als hij overweegt om een van de misdadige zusjes te doden, fantaseert hij over seks met haar. ‘Ze lag daar toch al half bloot te kronkelen.’ De Sterck gaat ver en haar lef maakt van een vakkundig jeugdboek een verpletterende jeugdroman.


Trouw, Boeken, 28 maart 2009

Bas Maliepaard: Zijn hond weg, zijn broer aan het front

Mechelen zucht onder de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, maar notariszoon Victor (17) krijgt daar weinig van mee. Omdat hij aan vallende ziekte lijdt, mag hij niet naar buiten. Zijn betuttelende ouders censureren zelfs de aangrijpende brieven die zijn broer Nest vanaf het front stuurt. Al te heftige verhalen zouden Victor zomaar een epileptische aanval kunnen bezorgen. Zelf weet hij wel beter: hij heeft er nog nooit één gehad als hij stiekem boeken van Jules Verne las.

Als zijn geliefde herdershond Django ontsnapt, aarzelt Victor geen moment: hij gaat hem in zijn eentje zoeken. Op de armenmarkt hoort hij dat loslopende honden in deze hongerwinter geen lang leven beschoren is: de hondenslachter uit Boom vilt zelfs scharminkels om het vlees duur te verkopen. Victor trekt te voet naar Boom, in de hoop Django nog te kunnen redden.

Je kunt ’De hondeneters’ lezen als een historische avonturenroman die een indringend beeld geeft van de Grote Oorlog. Schrijnende scènes staan erin, zoals die waarin een wanhopige vrouw tijdens een mis een uitgemergelde, dode baby uit haar boodschappentas haalt. Het is haar kleindochter, die vergiftigd is door valse melk: een mengsel van vuil water en kalk.

Maar soms ademt het verhaal ook de sfeer van een grimmig sprookje. Victor komt figuren tegen die zo uit oude volksverhalen lijken weggelopen: een vrouw met een baard, straatmadelieven met namen als Trezeke Viool en een veerman die bang is voor de waterduivel. De Sterck zorgt zelfs voor een thrillerelement: er wordt een vermoorde Duitser gevonden in de hondenkooi van de slachter. Victor blijkt daar meer van te weten.

Toch steekt dit boek dieper: eigenlijk gaat het over Victors volwassenwording. Hij breekt met de strenge opvoeding van zijn ouders door letterlijk zijn eerste zelfstandige stappen in de boze buitenwereld te zetten. Victor leert echte mensen kennen, die vaak minder betrouwbaar blijken dan zijn hond, hij verkent voor het eerst de ’boterzachte schoot’ van een vrouw en ontdekt de harde waarheid achter de verontrustende brieven van zijn broer: „Dag na dag ga ik meer dood. Nog even en er schiet van mij niks over. Vaarwel, broer, vergeet mij niet.”

Het mollige Vlaamse taalgebruik is een genot om te lezen, al zullen veel Nederlandse jongeren even moeten doorbijten. Maar dat is de moeite meer dan waard.


Kunsttijdschrift Vlaanderen, maart-april 2009

Ria De Schepper : De hondeneters.

De 17-jarige Victor Vervoort groeit op als notariszoon in Mechelen, in een gezin dat hem overbeschermt omdat hij aan epilepsie lijdt. Eind 1917 loopt hij van huis weg om zijn trouwe hond te zoeken. Zijn tocht brengt hem via de armenmarkt en langs de rivieren tot in Boom, bij een hondenslachterij. Hij komt in een voor hem totaal onbekende, volkse wereld terecht: bij boerenmeisjes, schippers, straatmadelieven, het voddenwijf met de baard en Flor de muzikant. Als hij weet dat zijn hond nog leeft maar gevlucht is, moet hij de lange en gevaarlijke weg terug.

Victor wordt wegens zijn ziekte opgevoed als een kasplantje, ook al is hij in veel dingen geïnteresseerd. Zijn ouders houden hem onwetend als een kind maar door zijn tocht leert hij het echte leven in oorlogstijd kennen en komt hij als een zelfbewuste jongeman terug. Via tal van nevenpersonages en gebeurtenissen schetst de auteur een treffend beeld van de gruwelijke realiteit van de oorlog, van honger en onrecht. Daartegenover staat ook solidariteit en menselijke warmte, waarvan Victor door zijn ziekte sterk afhankelijk is. Doorheen het verhaal komt Victor ook te weten wat er met zijn broer Nest als frontsoldaat is gebeurd. Daardoor observeert hij niet alleen wat de oorlog met mensen rondom hem doet maar kruipt het verdriet en gemis ook in zijn eigen lijf.

Het verhaal speelt zich af op zeven dagen, met een indringende beginpassage bij de hondenslachter. De aangrijpende gebeurtenissen en de sterke emotionele ondertoon sleuren de lezer mee in het verhaal. De realistische beschrijvingen zijn verteld met grote precisie en gedrevenheid. Het Vlaams gekleurde taalgebruik in de dialogen en de volkse namen geven authenticiteit aan de personages. De auteur deed heel wat research voor dit boek. Wie aandachtig leest, merkt verwijzingen naar volksmuziek, bijgeloof en de fantastische verhalen van Jules Verne. Het gevecht van een jongeman met zijn eigen lichaam en het in het reine komen met zijn familie vormt een complex groeiproces. Deze adolescentenroman schetst daarnaast een indringend beeld van de overlevingstrijd van de kleine man tijdens De Grote Oorlog.


Pluizuit.be, maart 2009

Pol Van Damme: De hondeneters

Eind 1917. De zeventienjarige Victor loopt weg van huis om zijn herdershond te zoeken. In een opwelling neemt hij een mes en een som geld mee, samen met een stapel brieven van zijn broer Nest die aan het front zit. Hij komt in een voor hem vijandige wereld terecht. Die bezorgt hem regelmatig zware epilepsieaanvallen. Op zijn tocht door de Rupelstreek ontmoet hij bijzondere figuren: het schoonste meisje van de wereld, brutale straatmadelieven, de vrouw met de baard en de hondenslachter van Boom. Heeft die zijn hond al geslacht?

Dit is een bijzonder hard verhaal waarin de auteur de verschrikkingen van de oorlog samenbalt en waarin de waanzin ervan doordringt in elk mensenleven. Niet enkel de soldaten aan het front leefden in complete chaos; het hele land en voornamelijk de gewone man en vrouw in de straat ondervond aan den lijve de onmenselijkheid die de oorlog met zich meebracht en van eerbare burgers gewetenloze mensen maakt die tot alles in staat zijn om zelf te overleven. Anderzijds gaf het ook een samenhorigheidsgevoel bij groepen van mensen die op hun eigen specifieke en soms bizarre manier hun leven zin trachtten te geven te midden van dit onbegrijpbare gegeven.

De auteur heeft zich uitermate zorgvuldig gedocumenteerd voor zich aan dit verhaal te wagen. Uit al die gegevens heeft ze er een aantal samengebracht en die heel realistisch en beeldend uitgewerkt zodat de lezer als het ware een film afgespeeld ziet tijdens het lezen. Ook hij/zij voelt de kou, de honger, de wanhoop, de miserie van de mensen en hun onstuitbare wil om te overleven.

Victor, die uit een gegoed en heel beschermd milieu komt, contrasteert hier heel erg tegen. Maar al is hij overdonderd door al de indrukken die deze wereld op hem achterlaten, toch brengt hij genegenheid op voor deze mensen. Hij bekijkt hen onbevooroordeeld. Of liever gezegd, hij velt zijn eigen oordeel. Dit nadat hij, doorheen de brieven van zijn broer Nest en wat hij vaststelt om zich heen, een oordeel heeft gevormd. Daardoor zal hij ook in opstand komen tegen zijn vader en diens halve waarheden niet meer aanvaarden.

Victor vertrekt als een onwetende jongen van huis, maar keert als een bewuste man terug, die weet wat hij wil en ook antwoorden wil op de zaken die voor hem verzwegen werden.

Zijn specifieke gezondheidstoestand maakt hem erg kwetsbaar en kan hem in gevaar brengen, maar heeft ook een positieve kant: er zijn nog mensen die hun menselijkheid niet verloren blijken te hebben in deze onmenselijke tijden.

De auteur heeft een taal gezocht die leesbaar is in de 21ste eeuw, maar toch de sfeer van het begin van de 20ste eeuw tracht weer te geven. Zij gebruikt dan ook veel de ‘u-vorm’ en andere niet zo frequent voorkomende woorden.

Vergelijkbare verhalen vanuit een ander gezichtspunt vindt de lezer ook in ‘Soldaat Peaceful’ van Michael Morpurgo of in de film ‘Un long dimanche de fiançailles’.

‘De hondeneters’ is een bijzonder krachtig en sterk verhaal dat geen lezer onberoerd zal laten. Een sterke aanrader!


De Leeswelp, maart 2009

Annelies De Waele : Marita De Sterck: De hondeneters

(ook: Boek van de week op www.vlabin.be, 6/04/2009)

In het tweede hoofdstuk van haar nieuwe oorlogsroman "De hondeneters" beschrijft Marita de Sterck hoe een hondenslachter en diens handlanger een kennel vol losgeslagen honden binnensluipen. Een dertigtal honden vecht om een bot en een schedel, en op gevaar van eigen leven wagen de twee mannen zich de kooi in. “Prosper voelde de hete adem van de honden tegen zijn handen. [...] Hij wist dat een grote hond moeiteloos een arm of been kon breken, een kaak ontwrichten, een hand tot pulp vermorzelen, een halsslagader doorbijten, een oog uit zijn kas lichten. Maar nooit deed een hond dat soort dingen zomaar, zonder reden. Had de oorlog het dorp zo zwaar vergiftigd dat ook de honden moordenaars geworden waren?”

De hele scène in de hondenkooi hoort bij het beste wat ik al gelezen heb van Marita De Sterck en — bij uitbreiding — in de adolescentenliteratuur. Ze zet meteen heel sterk de toon van deze roman over de Eerste Wereldoorlog, waarin niet enkel de honden maar zelfs de best bedoelende mensen kunnen verworden tot wilde beesten die elkaar de kop afbijten.

De "hondeneters" wordt in de eerste plaats verteld vanuit het perspectief van een ander ‘dier’: Victor. Hij is notariszoon en lijdt aan epilepsie, in die tijd nog een onbegrepen ziekte. Door die mysterieuze vallende ziekte wordt hij door zijn ouders behandeld als een papkind. Zijn enige echte vriend is zijn hond Django, een stevige herder met twee verschillende ogen die voorvoelt als Victor zijn dagelijkse aanval krijgt en zo mogelijk zijn val breekt. Als Django op een dag spoorloos is, is Victor zo ten einde raad dat hij zonder verwittigen thuis wegloopt en zijn hond gaat zoeken. Met enkel wat geld, een mes en een stapel brieven van zijn broer-soldaat op zak, vat hij te voet de tocht aan van Mechelen naar Boom, waar de hondenslachters zich schuilhouden. Hij weet dat de tocht risico’s inhoudt, maar hij heeft er alles voor over om zijn hond terug te vinden en eindelijk een echte man te worden. “Wie niet ploegt, trekt ook geen scheve voren.”

Marita de Sterck nam in een eerdere jongerenroman, "Met huid en haar" ("De Leeswelp" 2004, p. 371) al het thema van de Grote Oorlog op. In dat boek ging ze heel geraffineerd heden (de voorbereiding van een studentendemonstratie tegen de oorlog in Irak) en verleden (een zieke grootvader die oorlogsherinneringen ophaalt) met elkaar verweven en schuwde ze ook al de gruwelen van de oorlog niet.

Met "De hondeneters" gaat ze vele stappen verder. Dit verhaal speelt zich volledig af in volle oorlogstijd — eindejaar en dus winter 1917 — in de armoedige streek rond de Rupel. Op zijn barre voettocht langs de rivieren Dijle en Rupel en over het Zennegat, komt Victor in aanraking met de meest uiteenlopende figuren, die hem helpen of tegenwerken. Zo ontmoet hij niet alleen een bende vrouwen die een zwaan doodmaken, maar ook een groep prostituees, een inhalige veerman en een voddenvrouw met baard, een beeldschoon meisje met een stalen hart, een ‘verboden’ muzikant, een Duitse commandant en de hondenslachter zelf.

Daarbij leert hij o.m. dat schoonheid en goedheid niet met elkaar verward mogen worden, en dat mensen in oorlogstijd, ook vrouwen, zich erger dan beesten gedragen: hongerig, listig en vol lust, doodsangstig, wreedaardig desnoods.

"De hondeneters" wordt op die manier een soort bildungsroman, de beschrijving van de ontwikkeling van een jongeman tot man. Want Victor wordt niet enkel ingewijd in gruwel en ellende, hij wordt voor het eerst ook verliefd, bedrinkt zich, bedrijft de liefde en laat zich tatoeëren.

Door het verhaal in de rivieren- en moerasstreek tussen het nabije Mechelen en Boom te situeren, kan De Sterck hier ook weer volop doen wat ze in ongeveer al haar jongerenromans doet: oude Vlaamse volkse verhalen tot leven wekken. Zo vertelt een veerman aan Victor het verhaal van de bekende moerasgeest Kludde, die mensen leegzuigt en binnenstebuiten keert of die wandelaars moeten dragen tot ze erbij neervallen. De donkere reis — heen en terug — bij nacht over de poel, wordt beeldend en dreigend beschreven.

Maar het is hier toch bovenal de werkelijkheid van de oorlog zelf die Victor in het gezicht slaat. Want behalve de hondenslachters, voor wie geen keffer veilig is, zijn er ook melkvervalsers op pad: ze verkopen kalk voor dure melk en doden zo nietsontziend baby’s en kinderen. Via de brieven van zijn broer én het verhaal van de bekende gebroeders Van Raemdonck, komen dan weer authentieke frontverhalen bij Victor en de lezer binnen. De Sterck heeft doorgaans een sterk patent op humor in haar verhalen en ook in "De hondeneters" maakt ze nu en dan plaats voor grappige situaties en typetjes. Zo hebben de dorpsvrouwen en prostituees (Trezeke Viool en co.) bijna allemaal bijnamen, en het lokale café, waar zich grappige taferelen afspelen, heet niet voor niets “De tien billekens”. Maar over het algemeen valt er niet veel te lachen in "De hondeneters". Meer nog: bij momenten komt de oorlogsgruwel pijnlijk gedetailleerd dichtbij, vooral waar De Sterck parallellen gaat trekken tussen de slachting van dieren, honden dus, en de slachting op het oorlogsveld. Zo bv. ook in de sterke beginscène waarin de hondenslachter beslist over leven of dood van Django of die passage waarin Victor met de zoon van de slachter het slachthuis en de koelkamer met hondenkadavers gaat doorzoeken, op zoek naar een spoor van zijn viervoeter.

In al die pijnlijk realistische beschrijvingen van oorlogsgruwel en nietsontziende armoede sluit "De hondeneters" zich aan bij die andere jongerenromans die niet noodzakelijk voorbijgaan aan de donkerste kanten van een oorlog: "Hoe ik nu leef" van Meg Rosoff bv. of het recente "Allemaal willen we de hemel" van Els Beerten (resp. "De Leeswelp" 2005, p. 160 en 2008, p. 198). Het zijn stuk voor stuk bikkelharde verhalen over jongeren die bruusk opgroeien tegen de achtergrond van een echte rauwe oorlog, een oorlog die uitgehongerde of wanhopige mensen tot het uiterste doet gaan.

De luttele zes dagen dat Victor onderweg is en zijn eigen oorlog uitvecht, staan dan in schril contrast met de duur van dat andere echte conflict (ruim 1200 dagen, telkens zo expliciet vermeld bij het begin van elk hoofdstuk) en trekken in hun lengte en lastigheid een mooie parallel met wat mannen aan het front moeten doorstaan. Mannen als Victors broer Nest bv.: op elk moment is deze — via brieven, dromen en verhalen — met Victor verbonden; pas op het einde dringt over zijn broer een verschrikkelijke waarheid tot hem door.

Marita de Sterck heeft in "De hondeneters" heel diep gegraven in tijd, ruimte, en de dunne grens tussen mens en dier. Het vertellen vanuit het perspectief van een epilepticus is origineel, vooral doordat daarmee een link ontstaat tussen Victor en de mannen die vallen aan het front of een andere unieke band tussen mens en hond: beide lijken even mooi en lief als gevaarlijk en onberekenbaar. De beschrijvingen van het dier hond zijn liefdevol, mooi en treffend.

Dat dierlijke en zinnelijke trekt zich ook sterk door in de stijl. In geen van haar vorige boeken gaat De Sterck zo extreem aan de slag met geuren en kleuren, magere en arme en vuile en zieke lichamen, de even schone als verslindende kracht van natuurelementen, en de al even dunne grens tussen leven en dood. Haar onderzoekswerk als antropologe en de link met ‘onze’ cultuur, traditie en folklore op gebied van omgaan met die dood, wordt hier weer een waarmerk en wordt stevig uitgewerkt. Het zorgt zoals gezegd lang niet altijd voor opbeurende lectuur, bij momenten wel voor sterke literatuur. Liedjes, historische feiten, wetenswaardigheden zijn beter — lees: minder geforceerd — ingebed dan in sommige van haar vorige jeugdromans.

Rest nog de vraag wat jonge lezers in dit verhaal kunnen ontdekken. Alleszins zullen velen zich herkennen in het hoofdpersonage Victor, een outcast die zijn plek en identiteit zoekt in de wereld — oorlog of niet. Te midden van al de armoede en gruwel is hij ook maar gewoon een jonge gast die zijn broer mist, en aan wie het knaagt dat hij wel zeker leeft en de fouten jegens zijn broer misschien niet meer kan goedmaken. Spanning behoudt het verhaal alleszins ook doordat lang niet duidelijk is of Victor zijn hond terugvindt of niet, en hoe.

De folkloristische en historische rivieren-, moeras- en caféverhalen zitten misschien iets minder dicht op de huid van jonge lezers, maar De Sterck houdt ze boeiend en gebald en trekt ze behoorlijk dicht naar die leeftijd toe. Bovendien bewezen haar vorige verhalen ("Kwaad bloed", "De Leeswelp" 2006, p. 278) en de prijzen van haar lezers, dat die dergelijk historisch geijkt materiaal wel weten te appreciëren.

De auteur draagt dit boek o.m. op aan haar vader en grootmoeder en ‘“aan de ontelbare families die door de grote oorlog zijn getroffen”. En ook aan “alle lokale historici die de kleine geschiedenis groot weten te maken”. De Sterck doet net hetzelfde, maar dan als schrijfster die radicaal kiest voor sterk literaire romans. Met "De hondeneters" schreef ze vanuit een originele invalshoek een voortreffelijke klacht tegen elke oorlog en voor mij haar beste boek sinds "Wild vlees" ("De Leeswelp" 2001, p. 29).


De Leeswelp, april 2009

Annelies De Waele: Beest of mens

Interview met Marita De Sterck over haar anti-oorlogsroman ‘De Hondeneters’

“Dit boek moest vroeg of laat uit mijn systeem”, zegt Marita De Sterck over haar nieuwe roman ‘De hondeneters’. Een anti-oorlogsverhaal pur sang is het, dat de rauwe werkelijkheid niet schuwt, zich integraal afspeelt in het barre gebied tussen Dijle en Rupel en diep graaft naar de dunne grens tussen ‘de goeden’ en ‘de slechten’. “Wat je leest en hoort over de realiteit van die Grote Oorlog overtreft soms elke verbeelding”.


Je draagt dit boek onder meer op aan je ouders. Werd het vanuit die wortels geschreven?

Marita De Sterck: Ik heb altijd het gevoel gehad, als kind al, dat de verliezen mijn en veel andere families heel erg getekend hebben, zonder dat daar een taal voor bestond. Ik wist bijvoorbeeld dat de moeder en een zusje van mijn vader aan die oorlog waren gestorven, ik wist dat mijn moeders moeder had moeten vluchten met vier kleuters en zwanger en dat ze onderweg die baby had moeten begraven. Ik had het gevoel dat die trauma’s door de generaties reisden. Mijn vader was veertien toen de oorlog stopte en bracht dat stuk jeugd door in een dorp bij de Rupel. Termen als ‘hondenfretters’ en liedjes als ‘’t Is van den hond zijn kont’ zijn dus dingen die ik zelf als kind ook oppikte en intrigerend vond.


Was dat echt typisch voor die streek, honden slachten én opeten?

De Sterck: Over Roeselare heb ik ook referenties gevonden, maar de meeste documenten betreffen toch Boom, met getuigenissen over de paardenslachterij die plotseling hondenslachterij werd, een slachtreglement en prijzen per kilo. De Rupelstreek was altijd al een arme en tegelijk vindingrijke regio, en zeker de Boomenaars hadden een nogal kwalijke reputatie. Anderzijds is het vrijwel zeker dat de honden overal gegeten werden waar mensen honger hadden, maar dat in Boom het vuile werk werd opgeknapt.

Tijdens mijn research kwam ik in contact met de Boomse historicus Alex Vinck, de specialist ‘hondenfretters’ en een wandelende encyclopedie. Hij had nog met veel levende getuigen gesproken en kon daar eindeloos gedetailleerd over vertellen, ik wist niet wat ik hoorde. Terwijl ik aan het boek werkte, is hij overleden. Daarom droeg ik het ook aan hem op.


Dat je schrijft over kleine schoothondjes die op de markt in een zak werden verkocht, klaar voor de pan, is inderdaad hard te verteren voor een dierenliefhebber.

De Sterck: Zo’n passage waarin mensen in barre oorlogstijd overgaan tot het eten van dieren, stak als sleutelscène al in mijn roman ‘Met huid en haar’. Jonge lezers reageren er altijd met afgrijzen op: ‘Dat mag niet, dat kan niet’. Tegelijk zegt het iets over onze tijd: dat we ons blijkbaar beter de gruwel in de loopgraven kunnen voorstellen dan de platte dagelijke rauwheid van het gewone volk. Misschien is het geen toeval dat ik tijdens deze research schreef aan het kinderverhaal ‘Schatje Patatje’, over een hondje dat tegelijk berispt én in de watten wordt gelegd.


Wat heb je zelf met honden?

De Sterck: Ik ben een enorme hondenliefhebber. In mijn pubertijd, toen ik nog tijd had om ze te verzorgen, heb ik er verschillende gehad: herders, setters, een Deense Dog. Wat die beesten denken en voelen, fascineert me enorm.


Het verhaal draait dan eigenlijk rond Victor, een epilepticus voor wie zijn hond een kwestie van leven of dood is, want het dier waarschuwt hem voor aanvallen. Interessant perspectief, hoe kwam je erbij?

De Sterck: Er is discussie over het feit of een hond al dan niet een aanval kan voorvoelen. Hier en daar lees je wel berichten over honden die met een schelle piep hun baas verwittigen. Ik vond het een geloofwaardige piste en narratief ontdekte ik zo een krachtig gegeven, namelijk dat Victor het huis wel moést ontvluchten, op zoek naar zijn hond.

Eens op dreef, stootte ik dan weer op al die facetten van epilepsie, iets wat me ook al langer intrigeert. Ik had ook een personage nodig dat me twee jaar lang zou blijven boeien.

Ik kreeg een dvd in handen met wel 200 aanvallen erop en daar kan ik sprakeloos naar zitten kijken: hoe vallen die mensen, waar zijn ze tijdens een aanval, hoe komen ze bij?

Het bracht me weer bij het motief van de dunne lijn tussen mens en dier en wie van de twee nu het wreedst is. Zo’n mensen werden vroeger voor halve beesten aanzien. Toen stelde men de vraag: ben je nog wel een mens als je ‘weg’ bent?

In de boeken die ik doornam in het Guislainmuseum in Gent trof ik ook termen aan als ‘ontaard’. Toen al doken gruwelijke ‘oplossingen’ op: dat je epileptici best onvruchtbaar maakte of opsloot. De wortels van fascistisch denken liggen altijd dieper en vroeger in de tijd dan we aannemen.


Heb je zelf iets nieuws over de oorlog geleerd?

De Sterck: Die Eerste Grote Oorlog wordt wel eens ‘de moeder van alle oorlogen’ genoemd en dat klopte voor mij ineens heel erg. Alsof hij het startpunt was van de nog grotere calamiteiten die zouden volgen.

Ook wordt je duidelijk hoe dun die lijn is tussen slachter en slachtoffer, hoe moeilijk die te trekken is. Hoever kan collectieve hysterie gaan, dat opzwepen van jonge mensen die helemaal niet voor zo’n slachtveld gemaakt zijn. Ook dat hele shot-at-dawn-verhaal, waar iemand als Piet Chielens (conservator In Flanders’ Fieldsmuseum, adw) zich heel erg in verdiept heeft. De realiteit overtreft hier elke verbeelding.

En dat was vaak zo met de informatie die ik tegenkwam: over melk- en botervervalsers, over vodden rapen en een kot waar karrenvrachten beenderen van paarden en honden werden vermalen tot voeder. Je hoeft het niet uit te vinden, het staat in de kranten van die tijd, het is echt gebeurd.


De dunne grens tussen meedoen of aan de kant blijven, tussen ‘goed’ en ‘slecht’, is een thema dat tegenwoordig wel vaker opduikt, ook in Els Beertens boek ‘Allemaal willen we de hemel’ bijvoorbeeld.

De Sterck: Ja, en ook in de Angelsaksische oorlogsliteratuur, bij auteurs als Pat Barker en Sebastian Faulks. Of David Grossman, die zelf zijn zoon verloor tijdens de Tweede Libanonoorlog in 2006. Blijkbaar hangt het in de lucht. Zelf werd ik geraakt door de angst die gepaard gaat met het zien opgroeien van je eigen kinderen die de leeftijd hebben van soldaten die naar het slagveld worden gestuurd. Tijdens het lezen en schrijven kreeg ik ook voortdurend actuele oorlogsbeelden voor ogen. Bovendien denk ik niet dat ik er mijn stem als moeder heb uitgekregen: je stelt het je vroeg of laat toch voor, dat je eigen kinderen moeten vertrekken en je hen verliest in een zinloze oorlog. Vandaar het opnemen van anti-oorlogsliederen. Dat lied ‘Oorlog aan den oorlog’ had ik tijdens de opzoekingen rond ‘Kwaad Bloed’ al gevonden en trof me heel erg.


Het verhaal van de gebroeders Van Raemdonck uit Temse werd niet eerder in jongerenliteratuur verwerkt...

De Sterck: Wellicht niet. Het is ook risicogebied want er hangt een hele heroïek rond. Zo kwam ik tijdens het bezoeken van hun grafmonument ineens in een entourage terecht waar ik liever niet wilde bijhoren. Het verhaal raakte me enorm, maar ik heb goed afgebakend wat ik ermee wilde doen, los van enige rechtse retoriek uiteraard. Vooral het aspect dat die oudere broer koste wat kost voor die jongere broer wilde zorgen, sprak me heel erg aan. Dit verhaal toont hoe mensen behalve naar heroïsche oorlogsliteratuur ook hunkeren naar ware grote verhalen, naar warmte en menselijkheid. Ik ben vrij dicht bij het origineel gebleven. Het is dan ook een ongelofelijk verhaal, dat in Temse en omstreken toendertijd voortdurend verteld werd. Je kan je dat levendig voorstellen, dat iemand in een café op een stoel kroop en dat doorgaf. En je kan je ook heel goed voorstellen dat jonge mensen die oorlog naar het einde toe moe waren, dat ze op waren en niet anders meer konden dan het opgeven, op welke manier dan ook.


Door jouw roman te situeren in de Rupelstreek, kon je er meteen weer wat volksverhalen in verwerken – een van je stokpaardjes.

De Sterck: Daar blijf ik door bezeten, ja. Om die verhalen op te sporen, heb ik dezelfde methode gehanteerd als voor ‘Kwaad Bloed’, namelijk naar een rusthuis in Boom trekken met een fles Porto en een doos koekjes. Zo komen die verhalen over die waterduivels en zo vanzelf wel naar boven.

Door zijn tocht langs al die rivieren zit Victor daar echt ook pal op.


Je hebt die wandeling van Mechelen naar Boom ook zelf gemaakt, neem ik aan?

De Sterck: Ik heb de route verschillende keren gelopen en heb ze ook op mijn website beschreven. Je kan ze lopen of fietsen. Het is een mooie tocht, en dat Zennegat halverwege blijft een magische plek. De veerman uit het boek is er niet meer, maar zijn kleinzoon woont er wel nog.

Alleen het laatste traject naar de slachterij, is lelijk. Waar de hondenslachterij was, is nu een garage langs de Boomsesteenweg. In het centrum van Boom staat een standbeeld voor de honden.

In het boek zit trouwens ook mijn ambivalentie tegenover die streek: enerzijds vind ik die heel deprimerend, anderzijds ook heel intrigerend, precies door al die waters.


Veeleer dan een ‘schelmenroman’, zoals in de foldertekst staat, is ‘De Hondeneters’ voor mij een soort ‘Bildungsroman’.

De Sterck: Klopt. De foldertekst wordt soms maanden op voorhand uitgewerkt, terwijl je boek dan soms nog andere richtingen uitgaat. Het is inderdaad een Bildungsroman.

Zoiets als een ‘groeispurt’ vind je in veel van mijn boeken, ook in ‘Kwaad bloed’. En blijkbaar ben ik ook nogal gefascineerd door figuren die jarenlang nooit echt buiten zijn geweest en dan ineens echt beginnen te leven.

Anders dan vorige boeken verloopt ‘De hondeneters’ nu vrij rechtlijnig en niet met sprongen. Daar is niet over nagedacht. Het groeide gewoon vanuit het gegeven dat Victor achter zijn hond aangaat, recht vooruit.


Waarom laat de slachter Victors herder bij het begin van het boek leven?

De Sterck: Hij twijfelt echt, hij staat met die hamer klaar en legt hem toch weer weg, omdat het beest hem op de een of andere manier intrigeert. Ik heb Django een beetje geluk gegeven, voor hetzelfde geld had hij het niet overleefd. Of hij wordt een beetje in bescherming genomen, omdat hij net opviel: hij was goed verzorgd, goed getraind en stevig gebouwd. Het was voor mij meteen duidelijk dat maar één van de twee het kon halen: of de hond, of Victors broer.


Ook in de personages die Victor ontmoet speel je graag met goed en kwaad, schoonheid en lelijkheid, mannelijkheid en vrouwelijkheid.

De Sterck: ‘De vrouw met de baard’ was er heel snel. Ik zat ergens op een lezing en voor me zat een heel verzorgde oudere dame. Plots viel me op dat ze een echte baard had. Dat intrigeerde me, dat ze tot in de puntjes verzorgd was en toch die baard liet staan, als een soort statement. Van die lezing heb ik niet veel meer gehoord, ik was vertrokken. Naderhand wordt zij, een voddenraapster, door wat ze doet voor Victor, echt de heldin van het boek: een straffe madam in een vuile verschijningsvorm.

En dan heb je inderdaad dat gegeven dat mensen van wie men het niet verwacht, plotsklaps toch heel wreed blijken te zijn. Die grootmoeder die melk vervalst bijvoorbeeld;

Zo komen we weer bij de uitgangsvraag: waar zitten de grootste beesten precies?


De vraag stel je al bij het begin van het boek, in de prachtige passage waarin de hondenslachters de kooi met vechtende honden binnendringen.

De Sterck: Op de hondentrainingen die ik bijwoonde leerde ik waartoe zo’n herders echt in staat zijn: ze kunnen zonder problemen een kaak ontwrichten als ze dat willen. Maar als ze met elkaar vechten, sta je sprakeloos van hun fair play. Ze presenteren hun buik en de tegenstander bevriest onmiddellijk de strijd. Dat is toch anders dan mensen die andere mensen met een witte vlag omver knalden of strijdkrachten uit Afrika zonder wapens de strijd in stuurden, omdat ze bang waren voor muiterij.

Hoe wreed is een beest, hoe wreed is het beest mens? Het blijft een intrigerende vraag.


Je gaat soms ver in dit boek, vaak is het bikkelhard.

De Sterck: Klopt, en misschien is dat iets wat ik heb geleerd uit de initiatieverhalen die ik hoor en hertaal: vertel voluit. Het was nu eenmaal een harde oorlog en het zou van intellectuele oneerlijkheid getuigen om bepaalde hoeken af te ronden. Maar het staat wel eerlijk op de flaptekst.


Ik heb de indruk dat je dieper hebt gegraven dan in je vorige boeken, ook qua taal.

De Sterck: dat gevoel heb ik ook, en daarom deed het ook veel meer pijn om het te schrijven. Het was alsof ik met terugwerkende kracht de pijn van mijn voorouders een plek wilde geven. Maar dan moet je die eerst wel toelaten. Het was dus een vloekend en sputterend proces, maar dit boek moest vroeg of laat blijkbaar toch uit mijn systeem.


De Morgen, 19 maart 2009

Annemie Leysen : Mijn eigen kleine oorlog. Spannende bildungsroman van Marita de Sterck


Marita de Sterck is gepassioneerd voor mensen en hun verhalen van lang geleden. Daar heeft haar antropologische achtergrond alles mee te maken. Ook de grote oorlogen fascineren haar. Voor haar nieuwe roman De hondeneters liet ze zich inspireren door de vele vertellingen van haar vader.

Geen vertrouwde Flanders Fields, en nauwelijks modderige loopgraven in De hondeneters. De Westhoek is ver weg, en komt enkel in de verhalen en de brieven van de jonge soldaten aan de orde. Het slik en het slijk van de ruige Rupelstreek met zijn bizarre bewoners is hier het decor, waartegen zich in zes dagen tijd een klein oorlogsdrama afspeelt.

Het is 28 december 1917. In zijn slachterij verkoopt de bonkige Prosper, bij gebrek aan beters, hondenvlees tegen woekerprijzen. Net voor hij een bijzonder gezond exemplaar, een opvallende Mechelse herder met twee verschillende ogen, tot vlees wil verwerken, duikt in de volle hondenkooi een raadselachtig bot op dat bij beesten en mensen voor grote commotie zorgt. Een apocalyptisch tafereel, dit razende gevecht om een been, dat overigens indrukwekkend in beeld is gezet. Het hele dorp stroomt samen, druk speculerend over de herkomst van wat een menselijk dijbeen blijkt te zijn. Uit het niets arriveert dan een bleke, en naar zijn outfit te oordelen, welgestelde jongeman, op zoek naar zijn verloren hond. Meteen wordt een overgang gemaakt naar de volgende hoofdstukken, twee dagen terug in de tijd. Daarmee is de setting gezet en zijn de rode draden geweven: subtiele verwijzingen naar wat gebeurd is en naar wat nog komen moet en een bonte parade van haast alle dramatis personae prikkelen de nieuwsgierigheid en zorgen voor een slimme compositie en een zorgvuldig opgebouwde spanningsboog.


Danteske reis

Victor Vervoort, achttien, neemt op de ochtend van 26 december 1917 een besluit. "Ten eerste en ten laatste: vanaf heden wil Victor leven als een man." Hij verlaat het besloten herenhuis van zijn ouders onder de Mechelse Sint-Romboutstoren. Het gemis van zijn broer Nest, op aansturen van zijn patriottische notarisvader en een bevlogen leraar als vrijwilliger aan het front, drukt op het gezin. Victors trouwe herdershond Django, getraind om een beginnende aanval van het grand mal waaraan hij lijdt meteen te detecteren en op te vangen, is verdwenen, en die wil hij terugvinden. Met wat geld, een Zwitsers mes en een omslag met - zo blijkt later - door zijn vader gecensureerde brieven van zijn broer, breekt hij uit zijn isolement.

Victor is jarenlang door zijn labiele, naar bloesem ruikende moeder klein gehouden wegens zijn epilepsie. De fantasieën van Jules Verne waren zijn enige uitzicht op de wereld. De tocht langs het water, van Mechelen naar Boom, wordt voor hem dan ook een confronterende onderneming en een schokkende kennismaking met het echte leven. De Sterck stippelt een danteske reis uit: van de veilige geborgenheid binnen de beklemmende muren vol onuitgesproken geheimen van zijn ouderhuis, door de verschrikkingen en ontberingen heen van een land in oorlog, waar alle normen en verhoudingen zoek zijn geraakt. Een zoektocht naar de ware toedracht van een en ander, met onluisterende ophelderingen aan het eind, en tegelijk een coming of age-queeste naar een eigen identiteit. De dagelijkse epileptische aanvallen, de momenten waarop "de wereld kantelt", vormen een structurele constante. Op zijn eerste halte, de gore Mechelse armenmarkt, waar moordende melkvervalsers uitgehongerde mensen bedriegen, maakt Victor kennis met de "hondentrafiek". Tijdens zijn tocht naar Boom, langs de Dijle, het gevaarlijke Zennegat en de Rupel ontmoet hij een stoet van felliniaanse figuren, archetypes haast, die stuk voor stuk een rol spelen in Victors groei van "papkind" naar "vent". Zo is er Germaine, die zijn eerste aanval opvangt en hem met haar grote lijf met affectie overlaadt. En sensuele Anna met de blauwste ogen van de wereld en een brutale bek, die samen met haar identieke zussen op een verlaten boerenerf haar bedenkelijke manieren van overleven heeft gevonden. Zelfs een mysterieuze, ijskoude veerman komt eraan te pas. Het voddenwijf met de baard en de wijde rokken vertelt hem over de alles overwinnende liefde. Door de oorlogsverhalen in het schipperscafé en de brieven die hij op zak heeft gaat Victor aan het denken over het vermeende heldendom van zijn broer aan het front. Na een bezoek aan Café De Tien Billekens, waar straatmadelieven en duistere taferelen hem behoorlijk van slag brengen, arriveert hij, een stuk en een paar dagen wijzer, in Boom, bij de slachterij. Hier maakt De Sterck de cirkel voorlopig rond. Maar de echte catharsis moet nog komen. Met de hulp van kleine Peer, de mishandelde zoon van Prosper de slachter, vindt Victor zijn hond terug, en op de ontnuchterende terugreis door zijn eigen "niemandsland" komt hij alles aan de weet: over het verzet, over "hoe een man in een vrouw past", over een onvermijdelijke moord, en, vooral, over het lot van zijn "heldhaftige" broer. In een ultieme confrontatie met zijn rabiate vader stelt Victor definitief orde op zaken. Het papkind is man geworden.


Verteltradities

De hondeneters is een boordevol boek. Het is een overtuigend pleidooi tegen absurde oorlogen en misplaatst heldendom en tegelijk een portret van een jongeman die zijn eigen kleine oorlog uitvecht. Haast lijfelijk voelbaar beschrijft De Sterck de intieme band tussen de hond Django en de mens Victor. Verademend is hier ook het brede vertelspectrum: niet de gebruikelijke, wat kneuterige adolescentenbiotopen, maar een ruim perspectief op wat ertoe doet in de wereld, vanuit een verrassende geografische achtergrond. De roman is bovendien knap gecomponeerd en grondig gedocumenteerd.

Marita de Sterck is een gedreven onderzoekster en een schrijfster die het vak kent. Dat is bekend. Maar in haar ijver en enthousiasme om vergaarde kennis over orale verteltradities mee te geven in haar boek, gaat ze te bedacht te werk. Als het maar even kan legt ze haar personages verhalen en volkse liedjes in de mond, die niet altijd relevant zijn en zelden geloofwaardig klinken. Bovendien vallen de inconsequent gehanteerde Vlaamse taalregisters vaak ergerlijk uit de toon. Behendig regisseert De Sterck haar professioneel opgezette 'schouwtoneel' en organiseert ze haar uitgebreide cast. Dat levert een rimpelloos en bij momenten boeiend spektakel op. Maar acteurs van vlees en bloed die met hart en ziel échte emoties bespelen, krijgen in deze rationele constructie zelden een rol toebedeeld. En net die authentieke bezieling had een rijke verhaalstof als deze echt wel verdiend.


Standaard der Letteren, 24 april 2009

Veerle Vanden Bosch : Echte venten huilen niet

De Eerste Wereldoorlog was niet alleen een hel voor frontsoldaten - daar zijn al massa's romans over geschreven. In ‘De hondeneters’ focust Marita De Sterck op de ellende van de gewone burger.

Een hond liegt niet. En hij doodt nooit slachtoffers die zich niet kunnen verdedigen. 'Het waren de mensen die weerloze soldaten met een witte vlag overhoopschoten', schrijft Marita De Sterck in de eerste bladzijden van De hondeneters. Het is de oorlogswinter van 1917, maar De Sterck focust niet op de frontsoldaten en de ellende van de loopgraven - al zijn die wel voortdurend aanwezig in de gedachten van de personages. De hondeneters uit de titel zijn de uitgehongerde, verpauperde en door ziekte en ontbering geteisterde bewoners van de Rupelstreek. Ook daar is het oorlog, en de strijd om te overleven is er bikkelhard. Het is een wereld waar jacht wordt gemaakt op honden en katten vanwege hun vlees, waar fraudeurs baby's en kinderen vergiftigen door water met kalk te verkopen voor melk aan wanhopige jonge moeders, en waar mannen hun vrouwen 'op hun bakkes' slaan als ze te veel noten op hun zang hebben. Het is een harde, ruige wereld waar de notariszoon Victor Vervoort geen weet van heeft. Hij is zeventien en komt haast nooit de deur uit. Zijn universum bestaat uit het herenhuis van zijn ouders onder de Sint-Romboutstoren in Mechelen en de tuin waarin hij dagelijks enkele rondjes loopt om wat beweging te hebben. Victor lijdt aan epilepsie en daarom stoppen zijn ouders hem onder een verstikkende glazen stolp. Het contrast met zijn gezonde oudere broer Nest is groot. Nest is - onder druk van zijn vader en een leraar - als vrijwilliger naar het front getrokken, iets waar Victor hem om benijdt. Ook hij had maar wat graag getoond dat hij 'een echte vent' was. De enige bondgenoot die Victor na het vertrek van zijn broer nog heeft, is zijn Mechelse herder Django, een bijzondere hond die zijn epilepsieaanvallen voorvoelt en voor hem door het vuur zou gaan.


Weerwolf

Wanneer Django verdwijnt, gaat Victor hem zoeken. Hij ontvlucht zijn ouderlijk huis en tuimelt pardoes de werkelijkheid in. Het wordt een ware helletocht, die Victor voorgoed van zijn wereldvreemdheid geneest en hem de volwassenheid in katapulteert. Hij ontmoet een bonte stoet van bizarre personages - een voddenvrouw met een baard, een meisje met ogen van het donkerste blauw maar een minder propere ziel, een volkszanger, straatmadelieven met sprekende namen als Trezeke Viool en Malse Melanie, en Prosper, de hondenslachter van Boom. Voor hen is Victor evengoed een rare snuiter: een rijkeluiskind met een vreemde ziekte die hem geregeld in een stuiptrekkend beest doet veranderen. Het maakt hem tegelijk kwetsbaar en beangstigend - sommigen beschouwen hem zelfs als een weerwolf. Tot zijn schade en schande moet Victor ondervinden dat niet iedereen het goed met hem voorheeft. De strijd om te overleven wordt niet door iedereen fair gespeeld. In de oorlog zijn er geen regels, en als het erop aankomt, zijn mensen erger dan beesten - een thematiek waarvan het hele boek is doordrongen. In die harde omstandigheden gaat Victor op zoek naar zichzelf en zijn plaats in de wereld en ontdekt hij 'hoe een man in een vrouw past'. De confrontatie met het harde lot van gewone mensen en met hun visie op de oorlog - 'Weg met leugens over helden / Die crepeerden op de velden' zingt de volkszanger - zetten hem ook aan het denken over de holle retoriek van zijn vader en de zogenaamde eer om te mogen vechten voor het vaderland. Gaandeweg komt hij tot het besef wat er aan het front met zijn broer is gebeurd.


Mythisch

De hondeneters is een grimmig boek. De gruwel, het rauwe verdriet, de uitgeputte mensen die bij bosjes sterven aan ondervoeding, tyfus en griep, de slachtoffers van de melkvervalsers, de bloedige bezigheden van Prosper de hondenslachter: het wordt onverbloemd beschreven, net zoals er zonder omwegen wordt geschreven over lust en drift. Dit is een meedogenloze, boze wereld, waarin het vechten is om overeind te blijven.

De Sterck doet haar verhaal in een directe, volkse taal, die helaas niet altijd even consequent wordt volgehouden: hier en daar zitten er valse noten in. Dat ze zich grondig heeft gedocumenteerd, blijkt niet alleen uit de indrukwekkende lijst achterin het boek, maar ook uit de weetjes, volks- en protestliederen die ze het boek heeft binnengesmokkeld - hier komt de antropologe in haar om de hoek kijken. Dat komt soms artificieel over. Zo verbindt ze Nests lot op een wat geforceerde manier met de mythe over de gebroeders Van Raemdonck, die in elkaars armen zouden zijn gesneuveld.

Het Zennegat en de Rupel krijgen in het boek haast mythische proporties: het is een duister, mistig landschap waar eeuwenoude watergeesten op de loer liggen, altijd klaar om argeloze passanten naar hun ondergang te slepen. De hondeneters is een mooie coming-of ageroman en een imposant portret van een arme streek in tijden van oorlog. Als de personages nog iets doorvoelder waren geweest, had Marita De Sterck een regelrecht meesterwerk geschreven.


Vluchtgevaar

Posted by Annick Lentacker on August 15, 2019 at 4:50 AM Comments comments (0)


Over de auteur - https://jeugdboek.weebly.com/mario-demesmaeker.html

Lees een fragment - https://www.eenhoorn.be/media/wysiwyg/Fragmenten/Vluchtgevaar_fragment.pdf

“Mijn moeder is een kutwijf! Ik walg van haar! Ik haat haar! Voor mijn part kan ze ...” Een kanjer van een begin dat je meteen met je neus op de rauwe feiten drukt: Lelie (en niet Leila; 'foutje' van papa bij de geboorteaangifte ...) blijft radeloos achter bij haar stomdronken moeder terwijl haar vader met pak en zak het huis verlaat na de zoveelste aanvaring. Zij is nu helemaal alleen overgeleverd aan de nukken en drankbuien van haar moeder en haar beste vriend Johnny (Walker). En dit gaat van kwaad naar erger. Na amper één week tijd maakt zij al een trieste balans op: mama wordt een vreemde voor haar, haar relatie met Jonathan staat op springen, de schoolresultaten nemen zienderogen af en het [lees meer] innerlijk gevecht met zichzelf lijkt vaak net een oorlog vol twijfel en gruwel. Gelukkig is er Marlies, haar hartsvriendin, en als de hele boel lijkt te 'verzuipen' haar tante Nona. Dit boek verschijnt in de reeks 'lekker lezen'. Dit slaat natuurlijk enkel op de heldere schrijfstijl van de auteur, want de inhoud kan je moeilijk 'lekker' noemen. Die sleurt je mee in een spiraal van destructie, twijfel, hoop en angst waar je niet aan ontkomt. Met een zekere walging en ongemak lees je dit directe verhaal in één ruk uit. Tal van zinnen blijven je bij en geven perfect de innerlijke gevoelswereld weer. Zoals Lelie op een bepaald moment bedenkt: “Soms haat ik haar heel even niet.” Of haar definitie van de liefde: “Liefde is een kaars. Er is een vonk nodig om ze te laten ontbranden. De vlam laait hoog op, maar neemt snel normale proporties aan. Dan verschijnen de eerste druppels, de eerste tranen. Die klitten samen tot een wanstaltige massa. Als de vlam dooft, blijft er alleen nog smurrie over!” Demesmaeker schetst genuanceerde personages die balanceren tussen hoop en zelfvernietiging. Samenleven en overleven lukken niet of amper en met de nodige hindernissen. Toch slaagt hij erin om het harde relaas te verzachten met een fijne humor. Dit vooral in de relatie van Lelie met Marie en in de figuur van tante Nona. In al zijn bescheidenheid een kanjer van een boek!

22 januari 2015© Pluizer135http://www.pluizer.be



Rss_feed