Collectief Huisonderwijs voor Hooggevoelige Jongeren

 Mannaz School

Boeken Boetiek


view:  full / summary

Op liefde en dood

Posted by Annick Lentacker on November 4, 2019 at 10:25 AM Comments comments (1)


Hasse is pas 17 jaar, maar woont al op kamers omdat haar ouders in Afrika een ziekenhuis zijn gaan bouwen. De oudere dame Ludwina is haar hospita. Op een dag krijgt Ludwina een beroerte en glijdt weg in een coma. In die coma herbeleeft Ludwina haar relatie met Vince, een Amerikaanse soldaat die ze in haar jeugd had leren kennen. Vince werd naar Vietnam gestuurd, en Ludwina bleef achter in Antwerpen. In haar droomachtige toestand probeert ze een ander einde te breien aan hun liefdesgeschiedenis. Terwijl haar lichaam in het ziekenhuis ligt, komt haar geest ’s nachts rondspoken in haar huis. Hasse ziet Ludwina’s geestesverschijning en volgt haar naar een tuinhuis verderop, waar Ludwina’s herinneringen als een film voor haar afgespeeld worden. Na enkele nachten wordt Hasse opeens fysiek meegesleurd in de herinneringenstroom. Ze belandt midden in de Vietnamoorlog en kan niet meer terug naar het heden. Nu moeten Hasses vriend Wolf en haar beste vriendin Charlie - die broer en zus zijn, maar ook water en vuur - proberen om haar terug te halen door ware liefde te tonen - dat wordt hun tenminste met zoveel woorden uitgelegd door de mysterieuze grijsaard Angelo, die ook bij het tuinhuis rondhangt - maar die later niet echt blijkt te bestaan. Net op tijd komen Wolf en Charlie dichter bij elkaar, en slagen ze de erin de onverwerkte jaloezie die de Wolf jegens zijn jongere zus koesterde te overwinnen. Zo wordt Hasse op het nippertje toch nog gered.

Wie al even in zijn haar moet krabben bij deze beknopte weergave van de plot van Op liefde en dood, voelt waarschijnlijk aan waar het pijnpunt van deze ambitieuze jeugdroman van Gerda Van Erkel ligt: het verhaal is ambitieus van opzet, maar loopt zich vast in een al te gecompliceerde structuur. Het schiet heen en weer tussen heden en verleden (waarbij een reëel verleden afgewisseld wordt met een gedroomd verleden) en wordt vanuit een veelheid aan vertelperspectieven, die elkaar zonder duidelijke aanwijzingen afwisselen, verteld. Meer dan eens heeft dit een (vermoedelijk onbedoelde) onsamenhangendheid tot gevolg die alleen maar verwarring oproept, zelfs bij de ervaren lezer.

Daarbij komt dat verschillende plotwendingen nogal bij de haren getrokken aanvoelen. Zo is het bijvoorbeeld onduidelijk waarom Hasse eigenlijk getuige moet zijn van - en later ook als personage betrokken wordt bij - de herinneringen van haar hospita, met wie ze verder nauwelijks een band heeft. Dat Hasses ouders tegen het einde van de roman plots voor de deur blijken te staan, nadat ze halsoverkop uit Afrika vertrokken zijn na een telefoontje van de niet-bestaande Angelo, doet ook wenkbrauwen fronsen. Op deze en andere momenten wordt de willing suspension of disbelief van de lezer toch wel erg op de proef gesteld.

Naast de al genoemde perspectiefwissels geeft ook de verdere stilistische uitwerking van de roman een zelfde indruk van onsamenhangendheid. Op taalkundig vlak valt een onevenwicht op tussen het snedig en hip bedoelde (tussen)taaltje dat de jonge personages hanteren, en het vrij wollige taalgebruik waarin ze zich even later verliezen (‘Moet ik je hemel op aarde zijn? Ben ik het graf waarin je je geheimen meeneemt?’, orakelt Hasse tegen de bewusteloze Ludwina). Voor iedere geslaagde metafoor lezen we ook wel ergens een onhandige vergelijking of een koekendooswijsheid die meer lijkt te bevatten dan in werkelijkheid het geval is (‘Het zijn onze verkeerde keuzes die ons ongelukkig maken’;).

Niet onaardig zijn de sfeervolle beschrijving van het Saigon van de jaren zestig en de epiloog, waarin Wolf, Charlie en Hasses ouders gezamenlijk deemoedig inzien dat ze tekortgeschoten zijn in hun liefde voor Hasse. Maar de lat had hoger moeten liggen. Een flink stuk hoger.


Leuven : Davidsfonds/Infodok 2015, 206 p. ISBN 9789059086647


Juniper

Posted by Annick Lentacker on October 31, 2019 at 1:35 PM Comments comments (1)



Als afronding van haar opvoeding wordt Juniper, een verwende koningsdochter in middeleeuws Cornwall, voor een jaar naar haar peettante, een wijze tovenares, gestuurd. Daar wordt ze, in een spartaanse en armoedige omgeving, opgeleid tot 'doran', een genezeres met magische krachten. Na haar terugkeer in het kasteel van haar ouders, moet ze, jong als ze is, haar pas verworven krachten meten met een echte heks, die het rijk van haar vader te gronde wil richten. Spannend, inleefbaar verhaal met een uitstekende karaktertekening. Hoewel Juniper een moderne en onafhankelijke geest heeft, wordt de middeleeuwse sfeer goed weergegeven.

Ijzerkop

Posted by Annick Lentacker on October 26, 2019 at 8:55 AM Comments comments (0)

Alweer een zalig boek!  IK kan terecht zeggen dat ik hou van de boeken van Jean-Claude van Rijckeghem.

De 18-jarige Constance die in 1808 leeft, draagt het hart op de tong en deinst nergens voor terug en dat wordt absoluut niet gewaardeerd, zeker omdat ze een meisje is. Ze is pittig en ongehoorzaam en dat leidt vaak tot botsingen met haar ouders. Wanneer haar vader ­­– die zichzelf als uitvinder ziet en niet als schoenmaker zoals hij opgroeide – dreigt failliet te gaan, moet Constance trouwen met een oude vriend van haar vader. Ze gehoorzaamt, maar al snel komt ze erachter dat het getrouwde leven en met name de verwachting om haar echtgenoot gezonde zonen te schenken niet aan haar besteed is. Ze ontsnapt en besluit om zich te vermommen als man en zich aan te melden bij het leger van de keizer. Maar haar identiteit geheim houden is niet altijd even makkelijk.


Het ene hoofdstuk in IJzerkop wordt verteld vanuit het perspectief van de pittige Constance (die eigenlijk altijd Stanse wordt genoemd) en het andere hoofdstuk wordt verteld vanuit het perspectief van haar vier jaar jongere en jammerende broertje Pierre. Schrijver Jean-Claude van Rijckeghem beschikt over een uiterst scherpe pen en weet elk hoofdstuk zo te schrijven dat je verlangt naar meer. Ook de twee perspectieven zorgen ervoor dat je het verhaal op twee totaal verschillende manieren beleeft. Enerzijds weet je precies wat Stans doormaakt, hoe ze denkt en hoe ze bepaalde dingen voor elkaar moet spelen. Aan de andere kant krijg je ook mee hoe ze haar familie achterlaat en hoe ze hen in moeilijkheden brengt.


Aan het begin van IJzerkop is het heel even wennen om Stans leuk te vinden. Het is meteen duidelijk dat ze pittig is, maar de hoofdstukken verteld vanuit Pierres perspectief zorgen ervoor dat je haar maar een lastig stuk vreten vindt. Maar al snel begrijp je goed vanuit welke redenen Stans handelt. Vrouwen worden zo onderdrukt in die tijd en eigenlijk is de 18-jarige haar tijd ver vooruit en snap je ook zo goed waarom ze niet het leven wil leiden dat voor haar uit is gestippeld en wat van haar wordt verwacht. Je leeft ontzettend met haar mee wanneer ze in een toch wel liefdeloos huwelijk zit met de jeugdvriend van haar vader Lieven, moedigt haar zo aan wanneer ze zich aanmeldt voor het leger en houdt je adem in op momenten dat haar identiteit nog weleens aan het licht gebracht kan worden.


De hoofdstukken verteld vanuit Pierres perspectief zijn interessant, want je weet hoe de zoektocht naar Stans verloopt, maar de pit, de kracht en het karakter dat Stans toont, mis je nogal bij Pierre. Het is een jammerend kind dat eigenlijk vooral aan zichzelf denkt. Hij probeert zijn zus dan wel op te sporen, maar handelt vanuit eigenbelang. Als hij zijn zus weer aan zijn schoonzoon levert, zal hij de opleiding betalen die zijn vader niet meer kan betalen.


Het moge duidelijk zijn dat Jean-Claude van Rijckeghem zijn hoofdpersonages goed neerzet en uitgebreid informatie geeft over de situatie, over het handelen en over de denkwijze zonder je dood te bombarderen met informatie. Daarnaast is IJzerkop ook nog eens ontzettend boeiend. Elke hoofdstuk is interessant en hoewel het boek met meer dan driehonderdvijftig bladzijdes saai en langdradig had kunnen zijn, is dat het absoluut niet. Van Rijckeghems woordgebruik is levendig, zijn vergelijkingen creatief en zijn zinnen scherp.


IJzerkop is een prachtig geschreven verhaal met een uiterst fascinerend hoofdpersonage. Het laat je al lezende smachten naar meer en houdt je scherp tot het einde. Niet alleen de kop van hoofdpersonage Constance blijkt zowel figuurlijk als letterlijk zo sterk als ijzer, ook het boek zelf is ijzersterk.


Recensie: IJzerkop – Jean-Claude van Rijckeghem



De auteur Jean Claude van Rijckeghem



Kleren maken de man. In de jeugdroman IJzerkop van Vlaming Jean-Claude van Rijckeghem, die zich afspeelt als Napoleon op het hoogtepunt van zijn macht is, is dit niet louter metaforisch bedoeld. Een vrouw die zich kleedt als man wordt anders benaderd. Zeker wanneer niemand weet dat hij een zij is: dan lonkt de vrijheid. Tot dat inzicht komt Stans Hoste (18) na afloop van de bokskamp in de Gentse kloosterkerk tussen Zotte Neel (‘een fort van een vrouwmens’;) en Courage, die ‘het leven uitlacht en de orde der dingen op haar kop zet’: een geweldige openingsscène die verraadt dat Van Rijckeghem ook scenarioschrijver is, en direct de toon zet voor een verhaal waarin heel wat wordt afgevochten.


Strijdlust kan Stans niet worden ontzegd. Maar haar tong is, passend bij haar cynische verteltoon, ‘haar meest favoriete wapen’. Als haar vader, die een zaagfabriekje heeft, failliet dreigt te gaan, en haar in ruil voor een lening uithuwelijkt aan zijn welgestelde vriend Lieven, loopt ze weg. Geïnspireerd door de vrouwen-bokskamp en het ‘vrijheid, gelijkheid of de dood’ waarmee Napoleons soldaten de Franse revolutie verdedigden, verkleedt ze zich als man en vertrekt naar het leger.


Geen héél origineel gegeven voor Van Rijckeghem, die (met Pat van Beirs) eerder over opstandige meisjes schreef, in Jonkvrouw (2009). Maar dit doet niets af aan de overtuigingskracht van Stans. Van Rijckeghem (1963) zet haar levensecht in haar eigen tijd neer. Prachtig is het moment dat ze, terwijl het maanlicht binnenglijdt, in Lievens kleren voor de spiegel staat. ‘Wat een mooie ogen heeft hij’, zegt ze over de jongeman die ze ziet. ‘Levendige ogen. Geheimzinnige ogen. Hij grijnst. Ik kan de spiegel wel zoenen’. Hij geeft Stans haar eigenwaarde en bestaansrecht.

Rottend vlees


Zo’n onverschrokken jongedame spreekt anno 2019 natuurlijk tot de verbeelding. Maar Van Rijckeghem toont helder, omdat hij zijn verhaal ook vanuit het perspectief van Stans’ broertje Pier vertelt, dat Stans’ keuze ten koste gaat van de vrijheid van de achterblijvers – en zo valt het verhaal niet in de anachronistische valkuil. Haar vader, die nu versneld zijn schuld moet afbetalen, belandt in het rasphuis. Pier moet van school. Als hij vermoedt waar Stans is, krijgt hij opdracht haar te halen. Ondanks dat hij zich ‘als Judas’ voelt, vertrekt hij op een koppig oud paard, wat de tocht een prettig lichtvoetig karakter geeft.


Het wisselende perspectief, dat steeds beter gaat werken, maakt van IJzerkop een sterk psychologisch uitgewerkte roman met als inzet de haat-liefdeverhouding tussen broer en zus. Ontroerend is Piers ontwikkeling van gefrustreerde veertienjarige tot empathische broer; en pijnlijk treffend Stans keuze voor zichzelf. Ze gaat als het moet over lijken: ‘Ik ben geboren voor de veldslag.’

Via ingenieuze zijpaden en avontuurlijke verwikkelingen werkt de plot uiteindelijk toe naar de Slag bij Aspern Essling (Oostenrijk, 1809). Van Rijckeghems beschrijving daarvan is even overweldigend als die vermoedelijk was. Zijn taal golft mee met de voortmarcherende rijen infanteristen, dondert, rommelt en knettert, en zit vol bloed, zweet en stank van rottend vlees als de soldaten zijn verworden tot ‘schraapsels van het grote Franse leger, het afval van de oorlogsmachine’.


Alleen een rasverteller kan zo schrijven: Van Rijckeghem is er een.


Correctie 25 mei 2019: In een eerdere versie van dit stuk stond dat de Slag bij Aspern Essling plaatsvond in 1908. Dat moest 1809 zijn en is aangepast in deze versie.


De vijand

Posted by Annick Lentacker on October 15, 2019 at 12:10 AM Comments comments (0)


Eerst de fans geruststellen. Pieter Van In drinkt nog altijd Duvel, zelfs in Parijs. Guido Versavel blijft zijn zorgzame assistent die veel harder werkt dan zijn baas. En ook Hannelore is weer van de partij. Maar hier komt al een eerste verrassing: ze speelt een heel kleine rol in het verhaal. En opmerkzame feministes kunnen heel terecht zeggen dat Hannelore zich bijna uitsluitend beperkt tot het smeren van boterhammen voor de kinderen. Terwijl macho Van In, tweede verrassing, dit keer in een internationale plot terechtkomt en zijn politieactiviteiten meer spionagewerk wordt. Even lijkt het er op dat hij Brugge gaat verlaten om in een nieuwe Europese geheime dienst, de ESSE, te werken.

Alles begint in Blankenberge waar Van In een oude jeugdliefde ontmoet. Kitty Dewinter heeft dringend zijn hulp nodig want haar broer, Bruno, is verdwenen. Tussen broer en zus is er een hechte band en Kitty maakt zich des te meer zorgen omdat Bruno blijkbaar een geheim agent is. Versavel en Van In, ze hebben in Brugge blijkbaar niet veel te doen, gaan discreet op onderzoek en komen te weten dat er binnen de ESSE heel wat strekkingen zijn die elkaar flink tegenwerken. De chefs willen vooral bewijzen dat hun dienst onmisbaar is en zoveel mogelijk geld loskrijgen. Niets beter daarvoor is mensen bang te maken voor een terroristische aanslag die de moslims misschien beramen. En waarom zelf niet zo'n aanslag ensceneren? Van In komt te weten dat Bruno undercover is gegaan. Hij heeft zich al jaren tot de islam bekeerd om op die manier een terroristische organisatie, de 'Martelaren voor Allah', te infiltreren. Van Blankenberge via een dure uitstap naar Parijs terug naar Brugge waar men vermoedt dat een aanslag op het Jan Breydelstadion is gepland. Het slot is een 'grande finale' waarna eigenlijk alles in vraag wordt gesteld.

De plot van 'De vijand' is nu en dan wat krakkemikkig. Aspe verbaast weer met soms bizarre beelden als 'In een rustige straat viel hij op als een olifant op een ijsschots'. Maar tussen alle lichtheid en knipoogjes stelt hij impliciet ook een paar vragen. Zoals wie er belang heeft bij de paranoïde angst voor mogelijk terrorisme. Aspe is ernstiger dan het lijkt. Hij is een echt volksschrijver die vertelt wat veel mensen zeggen en denken. Dat je meer blauw op straat ziet voor alcoholcontroles dan voor het opsporen van criminelen. Dat de rechtsstaat mild is voor diegenen die haar minachten. Maar als volksschrijver weet hij ook waarover hij best zwijgt. De vraag die blijft is wie de vijand in 'De vijand' eigenlijk is.

https://www.knack.be/nieuws/boeken/nieuwe-aspe-verrast/article-normal-8107.html

De negen kamers

Posted by Annick Lentacker on October 1, 2019 at 8:15 AM Comments comments (1)



Besprekiing van https://deleesclubvanalles.nl/book-review/de-negen-kamers/

Jonas is een nerdy typje: zijn enige hobby’s zijn lezen en nadenken en meisjes durft hij niet recht aan te kijken. Hij is de kleinste van de klas, heeft op zijn zeventiende nog steeds geen baardgroei en sinds kort wordt hij ook gekweld door hoofdpijn. Net wanneer hij voor twee weken alleen thuis is, verschijnt er in zijn straat een oud landhuis dat alleen hij kan zien. Achter één van de ramen staat een bloedmooi meisje naar hem te kijken. Jonas’ nieuwsgierigheid is geprikkeld. Al gauw ontdekt hij dat het huis op een geheimzinnige manier met zijn eigen leven verbonden is. In het bos eromheen staan levensgrote exemplaren van zijn oude speelgoed. Wanneer het hem gelukt is om het huis binnen te komen, loopt hij pardoes een exacte kopie van zijn eigen woonkamer in. Twee acteurs die in een toneelstuk zijn ouders spelen, staan daar hun tekst te oefenen. Jonas’ vader vertelt zijn vrouw dat de hoofdpijn van hun zoon een symptoom is van een ernstige, misschien wel dodelijke ziekte.

 

Vanaf dat moment beginnen voor Jonas twee werkelijkheden door elkaar te lopen. Hij zoekt zijn weg door de onwerkelijke, sprookjesachtige kamers van het huis en ontmoet Anna, het meisje dat hij achter het raam zag. Intussen wordt hij af en toe plotseling wakker in het ziekenhuis. Zijn ouders en zusje staan bezorgd aan zijn bed en vertellen hem dat hij een zware operatie moet ondergaan. Anna ligt in het bed naast hem. Is het huis één lange koortsdroom die Jonas tijdens zijn ziekbed beleeft? Zijn de maniakale tweelingbroers in de bibliotheek, die boeken leugens vinden en Jonas’ hersens willen ‘zuiveren’ (p. 79), eigenlijk de artsen die hem aan zijn hoofd opereren? Bloeit er echt een liefde tussen hem en Anna op, of doet haar plotselinge verdwijning uit het ziekenhuis het ergste vermoeden?

 

Stilistisch is Peter-Paul Rauwerda’s debuut een spectaculaire reis. Jonas dwaalt door ruimtes vol beweging en geluid, die op de lezer inwerken als een nostalgische fantasy-film: een hal met een mozaïekvloer en wandkleden waarop vissen zwemmen en vogels fladderen; een mechanisch plafond dat zich bij de juiste stand van een klok integraal opent en omdraait; een wenteltrap die verandert in een zweefmolen, compleet met gemaskerde kinderen in de stoeltjes en een kermiswalsje op de achtergrond. Bovendien is De Negen Kamers een etalage van Rauwerda’s eigen belezenheid en taalgevoel. Het boek staat vol met ‘namedropping’ van literaire titels en citaten van bekende schrijvers, maar ook met subtielere intertekstuele geintjes en virtuoze woordgrapjes. Ook bevat het een keur aan op zichzelf staande verhalen, door andere personages aan Jonas verteld, met een levensbeschouwende, sprookjesachtige of bijna mythische inslag.

 

Helaas is het droomachtige verhaal niet alleen de charme, maar ook de zwakte van De Negen Kamers. De personages zijn nauwelijks mensen van vlees en bloed en de ontwikkelingen die ze doormaken worden nooit echt concreet. Dat Rauwerda sfeerbedervers als het internet en social media uit het verhaal wilde weren, is goed voorstelbaar, maar een verliefde zeventienjarige held die niet één keer aan seks denkt is ietwat ongeloofwaardig. Jonas’ minnespel met Anna is zo kuis als een hoofse romance. Een groter bezwaar is dat hij als hoofdpersoon grotendeels een lege huls is, zonder eigen drijfveren, zonder innerlijke bagage die hij mee het huis in neemt. Hij lijkt uitsluitend te bestaan om invloeden van buiten op zich in te laten werken – de nieuwsgierigheid en het verlangen die het huis en Anna in hem wakker maken, de wijze levenslessen die hem door anderen worden meegedeeld. Het enige probleem dat voortkomt uit het leven dat Jonas vóór het verschijnen van het huis had, is zijn ziekte en de vraag of hij inderdaad op sterven ligt. Lange tijd vormt die de rode draad van het verhaal, maar uiteindelijk raakt hij zoek onder de metaforische laag van Jonas’ worsteling met de machten in het huis.

Met Anna is het nog veel droeviger gesteld. Zij bestaat überhaupt enkel bij gratie van het huis en alleen in relatie tot de mannen om haar heen. Ze is een slachtoffer van haar autoritaire vader en een mysterieuze femme fatale die Jonas het hoofd op hol brengt. Haar gebrek aan onafhankelijke identiteit heeft ze zelf perfect in de gaten: “Ik heb mijn moeder niet gekend. Mijn vader negeert me. Ik heb geen familie, geen vrienden, ik kom het huis niet uit. Als ik in de spiegel kijk, zie ik een volslagen onbekende. (…) Heb je enig idee hoe afschuwelijk het is om hier te leven, jaar in jaar uit, zonder vrienden, zonder toekomst, zonder te weten waar het allemaal toe dient?” (pp. 187-189). Het is zo’n verschrikkelijk lot dat als Rauwerda het echt serieus had genomen, hij een totaal ander verhaal zou hebben geschreven. In plaats daarvan blijft Anna, die Jonas verleidt en bedriegt in haar poging om te ontsnappen, even onwerkelijk als de andere sprookjes die de revue passeren. Ze is Raponsje en Bond-girl in één en Jonas is haar verlosser. “’Vanaf nu neem ik de beslissingen.’ Hij omhelst haar, kust haar tranen weg, pakt haar hand en trekt haar mee.” (p. 192) Op dit vlak stijgt dit boek niet uit boven Twilight.

 

De Negen Kamers is een werk van grootse gebaren, barokke schilderingen en filosofische vergezichten. Wie van romans met een helder omlijnde plot of gedetailleerde karakterontwikkeling houdt, zal er misschien in vastlopen. Net als in Anna’s hemelbed kun je er bedwelmd in wegzinken, waarna het als een luchtballon opstijgt en wegzweeft. Het landschap is weelderig en indrukwekkend, maar de bestemming blijft achter de horizon verborgen.



Een mens is genoeg

Posted by Annick Lentacker on September 22, 2019 at 8:05 AM Comments comments (0)



Halverwege het lezen van Eén mens is genoeg van Els Beerten was ik nog steeds op zoek naar de clou voor de titel. Want als er iets al duidelijk werd is dat de voornaamste hoofdpersoon het in haar eentje niet klaarspeelt. Of er moet bedoeld zijn dat die hoofdpersoon genoeg heeft aan één mens, haar broer. Maar tot mijn verrassing overlijdt die halverwege het verhaal.

Wees gerust: het einde verklaart de titel, min of meer.

Eerst maar eens wat overwegingen vooraf.

 

Dit boek is een gewaagde uitgave:

- ten eerste is het een boek van een auteur die vooral bekend is om haar boeken voor de jeugd, en

- ten tweede is het geschreven in Vlaams idioom.

Els Beerten heeft een vaste positie in de wereld van de jeugdliteratuur. Je vindt beschrijvingen in Leesplein en in Jeugdliteratuur.org. Ze debuteerde in 1985 met Vreemde eend in de reeks Vlaamse Filmpjes en won daarmee meteen de John Flanders-prijs, won de Gouden Zoen, de eerste Prijs van de Kinder- en Jeugdjury (Vlaanderen) en de Kleine Cervantes in 2004 voor Lopen voor je leven en de Gouden Uil en de Boekenleeuw in 2009 voor Allemaal willen we de hemel en dat laatste boek leverde haar in 2010 nog de Nienke van Hichtum-prijs op, in 2012 de Lod. lavki-prijs en in 2013 de Cultuurprijs Vlaanderen voor Jeugdliteratuur.

 

Wat voor Allemaal willen we de hemel (2008) gold, geldt ook voor Eén mens is genoeg: het roept de vraag op wat jeugdliteratuur is.

Volgens de ruimst denkbare definitie is alles jeugdliteratuur dat zich goed laat lezen door jonge lezers of dat zich goed laat voorlezen aan jonge mensen die nog niet kunnen lezen. Ook strips vallen hieronder. Maar ook Het bittere kruid van Marga Minco: dat stond jarenlang bovenaan het lijstje verplicht te lezen literatuur in het secundair onderwijs. Of werk van Remco Campert, en met hem het werk van veel andere auteurs die er een sobere stijl op na houden.

Over die definitie wordt onder recensenten en onderzoekers regelmatig gediscussieerd. Sommigen beperken de term literatuur tot wat smaakmakers (als regel zij zelf) literair waardevol werk achten.

In het verlengde van die opvatting ligt de mening dat jeugdliteratuur helemaal niet bestáát. Er is een boek naar genoemd, Jeugdliteratuur bestaat niet. Literair waardevol werk is immers a priori ook interessant voor volwassenen.

Verder horen strips volgens veel recensenten niet tot de jeugdliteratuur, maar tot de, eh, strips.

Voorts zijn er mensen (vaak onderzoekers) die onderscheid maken tussen kinder- en jeugdliteratuur: alsof de jeugd begint ná de kindertijd.

 

Je kan er lang over praten en dat gebeurt ook, tot in De Balie toe.

 

Maar ik noemde het een gewaagde uitgave omdat die etikettering niet alleen een academisch gespreksonderwerp is, maar voor uitgevers een praktische kwestie: in welke markt bied je het boek aan?

Wat je dan ook (jeugd)literatuur noemt of niet, feit is (ik citeer mezelf) 'dat vrijwel alle bibliotheken en boekwinkels een aparte afdeling voor kinderen hebben. Zouden ze die moeten opheffen? Ik vrees dat bezoekende kinderen in zeer korte tijd de weg kwijt raken en niet meer terugkomen.

Men mag de stelling verdedigen dat alle literatuur voor iedereen is, maar de stelling dat alle literatuur voor kinderen begrijpelijk is, lijkt me lastiger te verdedigen. Finnigans Wake aanbieden aan een kleuterklas?'

Kinderen zijn nu eenmaal een apart soort klanten. En daardoor bestaat er jeugdliteratuur. De andere oorzaak is het feit dat volwassenen zich doorgaans verantwoordelijk voelen voor de opvoeding van kinderen - en vaak ook de kopers van kinderboeken zijn.

Omdat twaalfjarigen en ouder zich langzamerhand ontwikkelen tot zelfstandig kopende en lenende jonge mensen, heeft men in recensenten- en uitgeverijkringen de categorie jongvolwassenen bedacht en omdat Nederlands tegenwoordig niet verkoopbaar genoeg klinkt (zie ook hier) nam men de Amerikaanse term young adult over.

Dat riep voor Querido ongetwijfeld de vraag op hoe Eén mens is genoeg aan te bieden.

Een beschrijving van het boek staat op de site van Querido's Kinder- en jeugdboeken - dat lijkt me een duidelijke keuze.

Op het boek zelf is echter (heel verstandig) geen leeftijdsaanduiding te vinden. Alleen de flaptekst geeft een hint door wat bekroningen op te sommen, en te eindigen met de verzekering dat Els Beerten met Allemaal willen we de hemel 'de harten van veel jongvolwassen en volwassen lezers won'.

Aanbevelingen zullen het boek naar de beoogde lezers moeten brengen. Die beoogde lezers zouden volgens deze marktstrategie jongeren van 12 en ouder moeten zijn. Het zal uitgevers- en/of marketiersvaardigheid worden om duidelijk te maken dat dit boek óók voor volwassenen lezenswaard is.

 

Ten tweede is het verhaal geschreven in Vlaams idioom.

Het is doorspekt met woorden en uitdrukkingen die uitsluitend in het Vlaams-Nederlands (in woordenboektermen: Zuid-Nederlands) worden gebezigd, en het meest opvallend daarvan is het gebruik van het voornaamwoord ge. (Subject ge of gij, object u, bezittend voornaamwoord uw.)

Er is niets mis met dat 'Zuid-Nederlandse' idioom, maar de ervaring leert dat het voor veel 'Noord-Nederlandse' lezers een obstakel kan zijn. Ge kan er goesting voor krijgen, maar ook verschieten van kolère. Het doet voor hen aan als een streektaal, waardoor het verhaal prompt in de hoek van de streekromans terechtkomt. Dat kan de verkoop belemmeren - en dat is voor een uitgeverij lastig. Iedere uitgever hoopt per slot van rekening zoveel mogelijk exemplaren te verkopen.

Daar komt nog bij dat het verhaal plaatsvindt in de jaren '50, in Vlaamse dorpjes. Nog meer 'streekroman' dus - al maakt dat de gebezigde stijl met zijn Vlaamse idioom juist zeer passend, precies omdat de hoofdpersonen in dit verhaal ook de vertellers zijn.

Van die hoofdpersonen is het zeer geloofwaardig dat ze in dat idioom aan het woord zijn. Dat mag zo zijn, te voorspellen valt dat Vlaamse (of Zuid-Nederlandse) lezers dit verhaal anders lezen dan Noord-Nederlandse lezers, het idioom is ze meer eigen.

 

Twee overwegingen dus om dit boek een gewaagde uitgave te noemen.

 

Waar gaat het over?

 

Heel in het kort: Juliette doodt haar moeder, in een opwelling van woede. Dat levert haar een levensgroot trauma op. Slechts door de onvoorwaardelijke steun van broer Louis weet ze min of meer stand te houden. Pas in de laatste alinea's gloort hoop op herstel, en dat is mede te danken aan de al even onvoorwaardelijke liefde van Wilfried.

 

Het levert de meest ontroerende slotzin op die ik in tijden heb gelezen, na alinea's die het verhaal, dit moet ik gezien het bovenstaande wel even vermelden, ver uittillen boven wat men doorgaans een streekroman noemt.

 

Wie nu het boek wel heeft maar nog niet las en gaat bladeren naar die laatste pagina moet ik teleurstellen. Die zin:...

 

'Als we eens naar zee gingen,' zeg ik.

 

... krijgt pas lading door het voorafgaande.

 

Lezen dus.

In deel 1 is Juliette aan het woord. In deel 2 Wilfried, met een kleine flashback. In deel 3 zijn ze beurtelings aan het woord.

Er waren in deel 2 en in het begin van deel 3 momenten dat me de neiging beving om te gaan bladeren, en niet om te weten hoe het zou aflopen, maar omdat er teveel van hetzelfde was. Het duurde me te lang.

Ook komt naar mijn idee broer Louis niet helemaal uit de verf. Hij is als het ware te goed om waar te zijn. Zijn vriendschap met Wilfried ontstaat ook wel erg snel - ofwel, verteller Wilfried gaat daar met grote sprongen door zijn verhaal.

 

Maar anderzijds bevat dit verhaal juweeltjes van karaktertekening, en is met name deel 1 adembenemend. Dat komt juist door de consequent gehanteerde stijl met zijn authentiek aandoend idioom. Reden genoeg om te herhalen wat ik hierboven schreef: lezen dus. Sterk verhaal.

 

 

Bespreking van http://overlezenenschrijven.blogspot.com/2014/09/een-mens-is-genoeg.html


Hersenschimmen

Posted by Annick Lentacker on September 18, 2019 at 9:00 AM Comments comments (0)


Maarten en Vera Klein wonen al jaren gelukkig in Gloucester, Massachusetts (Verenigde Staten). Langzaam maar zeker begint Maarten heden en verleden door elkaar te halen. Het begin heel klein, op het moment dat hij niet meer weet welke dag het is en op een zondag wacht tot de schoolbus langs zal komen of als hij steeds vaker in gedachten verzonken is. Langzaam maar zeker kan hij zich dingen niet meer herinneren en als hij zich iets herinnert, gaat hij volledig in die herinnering op. Zo denkt hij op een dag dat hij weer op de kleuterschool is en van de juf de potlodendoos mag halen. Hij loopt de gang door naar het materiaalhok en klimt op een stoel om de doos te gaan zoeken. Dan staat Vera plots achter hem en haalt hem uit de droom. Hij blijkt op de keukenstoel in hun washok te staan. Later geeft hij hele rare antwoorden op vragen, omdat hij net ergens anders met z’n gedachten was. Als Vera hem een keer vraagt wat hij zo lang in de keuken deed, antwoordt hij bijvoorbeeld vangstquota. Uiteindelijk gaat dit nog een stapje verder en breekt hij in bij een vakantiehuisje waar vroeger de vergaderingen van zijn bedrijf waren omdat hij denkt dat hij te laat op zijn vergadering komt. Ook vergeet hij dat mensen en dieren dood zijn en vraagt dus steeds naar hen als anderen langskomen. Een keer begint hij plotseling naar de snoepreepjes die zijn oma altijd voor hem achter in de buffetkast verstopte te zoeken.Vera wordt steeds ongeruster en als Maarten weg begint te lopen van huis laat ze uiteindelijk een meisje, Phil Taylor, in huis wonen die op Maarten kan passen als zij weg is. Maarten vergeet echter steeds wie ze is. Eerst ziet hij haar aan voor een vriendin van zijn dochter, dan voor zijn vroegere piano juf en uiteindelijk voor zijn dochter. Ook van Vera vergeet hij soms wie ze is.In het boek wordt ook de moeilijker wordende relatie tussen Vera en Maarten weergegeven. Een eerste beschrijving die Maarten van haar geeft (zie eerste quote, een stuk terug in dit verslag) is nog heel scherp, bij kennis. Meer op het einde heeft hij het echter over een oude vrouw, die er een beetje verfomfaaid uitziet met haar vochtig neerhangende slappe bruine krullen en haar gerimpelde hals (p. 134). Later herkent hij haar niet meer op foto’s en uiteindelijk weet hij helemaal niet meer wie ze is.In het laatste deel van het boek weet Maarten zelf niet meer wie hij is. Eerst heeft hij het nog over “mijn spullen”, “ik kan ..” etc. Maar naarmate hij verder aftakelt begint hij in derde persoon over zichzelf te praten, om het uiteindelijk alleen nog maar over ‘het’ te hebben. Tegelijk met deze verandering in benoeming van zichzelf, trekt hij zich steeds meer in zijn hoofd terug. Hij communiceert bijna niet meer met de buitenwereld, maar denkt in onsamenhangende zinnen en fragmenten aan wat er om hem heen gebeurt. Een van de redenen hiervoor is dat hij ook steeds meer moeite met het Engels begint te hebben, en soms even de taal niet meer lijkt te verstaan. Op het laatst zijn Maartens gedachten zo onsamenhangend en fragmentarisch dat er bijna niet meer duidelijk is wat er nou met hem gebeurt. Wel weet hij op zijn sterfbed weer even wat er om hem heen gebeurt en zoekt en vindt hij Vera’s hand, al weet hij haar naam niet meer.

Verslag van https://www.scholieren.com/verslag/boekverslag-nederlands-hersenschimmen-door-j-bernlef-118827

Meer info ook op Wikipedia - https://nl.wikipedia.org/wiki/Hersenschimmen

  • Titel: HersenschimmenAuteur: J Bernlef (Hendrik Jan Marsman)
  • Uitgever: E.M. Querido uitgeverij BV, AmsterdamJaar van uitgave: 1984
  • Eerste druk:1984
  • Genre: Psychologische roman
  • Aantal bladzijden: 160

https://youtu.be/5ZYEBabYQSA

Ali's oorlog

Posted by Annick Lentacker on September 11, 2019 at 5:45 AM Comments comments (0)


IK hou niet zo van de boeken van Lydia Rood.  Maar dit boek vond ik tcoh wel goed.  Het raakt een thema waar steeds meer jongeren mee te maken hebben: pesten en gepest worden en de invloed van de omgeving hierop.

Ideaal voor wie niet graag lees, want op minder dan 2 uren had ik het uit.


Bespreking van Tzum

Kazen, mocro’s en leipo’s

Het vakkundig beoefenen van diverse genres is iets waar weinig auteurs goed in zijn, maar Lydia Rood beschikt over deze vaardigheid. In een duizelingwekkend hoog tempo – ze schreef inmiddels meer dan 100 boeken – publiceert ze romans, korte verhalen, columns, portretten, thrillers, en kleuter-, kinder-, en jeugdboeken. Een veelkunner én een harde werkster, want naast dat alles is ze sinds 2011 ook Schoolschrijver op een school in Amsterdam.

Net als twaalf andere Schoolschrijvers (Monique & Hans Hagen, Selma Noort, Ruben Prins, Aby Hartog, Erna Sassen, Anneke Scholtens, Janneke Schotveld, Karlijn Stoffels, Rian Visser, Saskia van der Wiel, Karel Eykman en Anna Woltz) is Lydia Rood actief op scholen in Amsterdam Nieuw West, Oost en Noord om geletterdheid te bevorderen. “Het is dankbaar werk,” zegt ze erover in een artikel, “omdat kinderen zienderogen steeds verder het domein betreden dat ze aanvankelijk als iets on-eigens beschouwen: de wereld van boeken en verhalen.”

Het was op een van die scholen dat ze Mikail Altun (12) ontmoette en hij haar zijn verhaal vertelde. Het vormde de inspiratie voor het schrijven van Ali’s oorlog: een jeugdboek over de 11-jarige Turkse Yessin uit Amsterdam-West die enerzijds klem zit tussen de verwachtingen van zijn ouders en anderzijds tussen de verkeerde vrienden. Yessin wil per se een goede Cito-toets maken – liefst met de beste score van de klas. Zijn vader is ervan overtuigd dat dat mogelijk is en verlangt het ook van hem. Hij studeerde zelf aan de universiteit van Ankara, maar kreeg eenmaal in Nederland nooit meer de kans om iets met zijn diploma’s te doen. Yessin is echter continu afgeleid: zijn klasgenoot Ali heeft het op hem gemunt en dwingt hem om mee te doen aan het pesten van een meisje uit de klas en het stelen van voetbalplaatjes uit de supermarkt.

Alledaagse kinderen met hun goede en slechte kanten. Het is kenmerkend voor de jeugdboeken van Lydia Rood: geen perfecte kinderen, maar eveneens geen kinderen die lijden onder zware grotemensenproblemen. Haar personages wekken vaak al snel sympathie bij de lezer, omdat de karakters tot in detail uitgewerkt zijn. Voor Ali blijft dat in dit boek echter uit. Hij is een verwend rotjoch, een straatschoffie dat nooit ofte nimmer zijn best doet op school omdat hij ervan overtuigd is dat hij profvoetballer wordt. Maar net zoals Yessin zijn redenen heeft om zich te gedragen zoals hij doet, moet dat ook voor hem gelden. Dat blijkt wel wanneer Yessin Ali tegenkomt in de moskee en ziet hoe Ali’s vader hem behandelt. Dat heeft Rood spijtig genoeg niet verder uitgewerkt: Ali’s karakter blijft tamelijk oppervlakkig.

Yessin komt er wat dat betreft beter vanaf, hij wil juist wél deugen, maar het is dan ook zijn wereld die Rood van binnenuit beschrijft. Op die manier maken we ook kennis met het bijbehorende vocabulaire van deze leeftijdsgroep: woorden als ‘kazen’ (Nederlanders), leipo’s en mocro’s vliegen je om de oren. Directe taal, veel dialogen, en een eenvoudige en vlotte stijl met zo nu en dan een rauw randje.



‘Draai haar armen op haar rug,’ zegt Ali. Het klinkt ijskoud.

Dylano en Mert doen wat hij zegt. Sara gilt het uit van de pijn.

‘Ga jij nog klikken?’ vraagt Ali.

‘Nee!’ Het is een zacht piepgeluidje.

‘Heb je spijt?’

‘Ja!’

‘Wie ben ik?’

‘Ali.’

‘Fout.’

‘Dylano en Mert geven een ruk aan Sara’s armen. Ze gilt.

‘Ik ben de…?’

‘Baas,’ fluistert Sara.

‘Fout.’

Weer een paar rukken. Sara vertrekt haar gezicht. Tranen stromen over haar wangen.

‘Ik ben de…?’

Yessin kan het niet meer aanzien.

‘Koning,’ roept hij. ‘Zeg koning.’

‘Koning,’ fluistert Sara.


Hoewel de titel veronderstelt dat het boek over Ali’s oorlog gaat, is dat maar gedeeltelijk het geval: Yessin’s innerlijke strijd is uiteindelijk toch de échte oorlog in dit verhaal. Ali’s oorlog is een jeugdboek met een actueel thema en een multicultureel tintje. Geschikt voor kinderen vanaf 10 jaar, maar ook zeker voor docenten om voor te lezen in de klas.

Mirjam Hoekstra

Lydia Rood – Ali’s oorlog. Leopold, Amsterdam, 128 blz. € 13,95.



Lampje

Posted by Annick Lentacker on September 9, 2019 at 10:10 AM Comments comments (0)

Wat een zaaaaalig boek.  In één ruk uitgelezen.


Bespreking van Lees-wijzer

 

 

 

‘Een eiland dat nog een beetje vastzit aan het vasteland, als een losse tand aan een draadje, heet een schiereiland.’ Beginzinnen zijn belangrijk. Als ze goed zijn, zuigen ze je meteen het boek in. Dat gebeurt hier als een stevige eb. Het beeld van de losse tand spreekt tot de verbeelding. In de volgende zinnen zie je ook de vuurtoren voor je, ‘die daar zo onhandig ligt in het midden van de baai. Zo zorgt hij ervoor dat de nacht wat minder donker lijkt en het grote land, de wijde zee wat minder groot en wijd.’ Annet Schaap schrijft niet alleen beeldend maar ook ritmisch: haar zinnen rollen af en aan als eb en vloed.

 

Meteen duik je het verhaal van Lampje in. Zo heet ze, de dochter van de vuurtorenwachter Augustus, omdat ze elke avond de lamp in de vuurtoren aansteekt. Haar vader mist een been en het wordt steeds duidelijker dat hij verbitterd is en een groot verdriet verdrinkt. Als hij met dingen begint te gooien, haalt de verschrikkelijke juffrouw Amalia Lampje bij hem weg en brengt ze haar naar het Zwarte Huis van de Admiraal, waar een monster zou wonen. Zeven jaar moet ze er dienen. Maar Lampje is veerkrachtig, dapper en vooral ingoed. Door haar open geest en vriendelijkheid slaagt ze erin om zowel het monster als haar vader uit hun isolement te halen. Daarbij wordt ze geholpen door een circusgezelschap met ‘monsterlijke gedrochten’ en een stel piraten die blijkbaar iets met haar vader te maken hebben.

 

Annet Schaap kent haar klassiekers. Ze laat zich inspireren door grote vertellers als Hans Christian Andersen, Roald Dahl en vooral Paul Biegel. Met de laatste heeft ze niet alleen de sprookjesachtige sfeerschepping gemeen, maar ook de creatieve taal. Ze verzint namen als ‘neefje Nooitgezien’, die doet denken aan Biegels Mijnewel of Jouweniet. De fantasiewereld bouwt ze met grote vanzelfsprekendheid op, waardoor ook de meest fantastische wezens je al snel vertrouwd worden. Ze geeft hen een persoonlijkheid die je emotioneel raakt. Dat Lampje met het monster overweg kan, komt zeker ook omdat ze haar eigen pijn in hem herkent: allebei moeten ze zich los zien te maken van een dominante vader om hun eigen weg te kunnen gaan. Op het eind zegt Lampje dan ook spontaan tegen kapitein Buck: ‘Ik ben van mezelf, anders’.

 

Zoals elk klassiek sprookje vertelt het verhaal in wezen over diepmenselijke gevoelens als angst, liefde, verdriet en schuld. En ook dat doet Annet Schaap in een taal die beklijft door indringende beelden: ‘En hoe gaat dat met schuld? Schuld is een rot ei dat heen en weer gegooid wordt, verder en verder. Niemand wil het vangen, niemand wil de smurrie over zich heen krijgen.’ Niet alleen gevoelens en gedachten weet ze raak te treffen, ook het uiterlijk en gedrag van de personages typeert ze beeldrijk: ‘de vrouw heeft een vriendelijk, breed gezicht met weer- en windwangen’ of ‘Lampje probeert in het gesprek te springen als in een draaiend springtouw’. De passage waarin Lampje het monster als het ware tam probeert te maken, doet denken aan de klassieke ontmoeting tussen de kleine prins en de vos van Antoine de Saint-Exépury.

 

Anette Schaap vindt ook een goed evenwicht tussen emotie en spanning. Zo bouwt ze vakkundig de spanning op rond het Zwarte Huis van de Admiraal: het lied over het monster, de beschrijving van het huis met de wilde tuin, het vreemde personeel, het onophoudelijke huilen van Lampje: allemaal dragen ze ertoe bij dat je intens met haar meeleeft. Maar de spanning voert de auteur vooral op door dingen te verzwijgen, waardoor je als lezer nieuwsgierig blijft naar wat er verder nog onder de sluier zit. De slotzin in de volgende passage verhoogt zowel de emotie als de spanning: ‘Ze weet niet hoe ze hier de lamp aan moet maken, ze ziet geen lucifers. Het huis is doodstil. Niemand komt haar eten brengen.’ Niet alleen de overgangen tussen de hoofdstukken zitten goed, ook de verschillende verhaaldraden knoopt de auteur vakkundig samen. Details die hier en daar opduiken, zoals de gezellige avonden met de piraten rond het kampvuur, blijken later een bijzondere plaats te krijgen in het verhaal. Een kanttekening hierbij is dat al die elementen op het einde wel erg snel en gladjes op hun plaats vallen, wat iets gekunsteld heeft. Dit is echter maar een schoonheidsvlekje in een prachtig verhaal met klassieke allure. Lampje houdt de belofte in van een groot licht in de Nederlandstalige kinderliteratuur. Het prikkelt de verbeelding, ontroert en houdt je van begin tot eind in spanning. Daardoor is het een warm en krachtig pleidooi voor het plezier van lezen.

 

Jan Van Coillie

 



Uitleg op de website van de auteur Annet Schaap - https://www.annetschaap.com/lampje/


In transit

Posted by Annick Lentacker on September 9, 2019 at 9:40 AM Comments comments (0)


Ik heb het meestal niet zo met die science fiction boeken die allemaal een vreselijke toekomst schetsen.

Maar dit boek ... wow ... in een ruk uitgelezen.  En toch wel met nog een hoop vragen blijven zitten.  Maar tussendoor echt wel genoten!


Boekbespreking van de leesfabriek

“Gieren worden niet geboren. Die worden in elkaar geflanst uit de cellen van ik weet niet hoeveel donoren. Het zijn bouwpakketten.”

 

Margaretha van Andel beschrijft in In transit het leven van grauwer Aag en gieren Levya en Rheyn. In dit compositorisch zeer geslaagde YA-boek bespreekt ze gewaagde, boeiende thematiek: de mens die zijn menselijkheid lijkt te verliezen. Via het prachtige, spannende verhaal over Aag, Levya en Rheyn toont ze een toekomst: een toekomst waarin slechts weinig mensen een ‘kans’ krijgen.

 

Levya en Rheyn behoren tot de ‘gieren’. Op een dag, vlak voor zij In transit gaan, gaan de jongens op pad: ze gaan op zoek naar een echte ‘grauwer’. Tot die tijd hebben ze alleen negatieve dingen over de aapachtige geleerd. Dan komen ze in aanraking met Aag, een vrouwelijke grauwer. Wie is zij? Is ze wel zo beestachtig? Noodgedwongen leven de drie jongeren samen en langzaam ontstaan bij Rheyn en Levya de verschrikkelijk vragen: is hun wereld wel de ‘echte’ wereld met alleen maar waarheden? Is hun gegeven toekomst wel de toekomst?

 

Van Andel schetst in In transit een indrukkend toekomstbeeld. De wereld van Levya en Rheyn -de wereld waarin we volledig over ons DNA kunnen beslissen, de wereld waarin we niet meer helemaal dood gaan, de wereld waarin we geen gevoel meer kennen- is onbekend, maar tijdens het lezen krijg je steeds het gevoel dat deze wereld nadert. Nu kunnen we ook al dingen in ons DNA aanpassen. Kan dat straks op de manier zoals tijdens de In transit? Sluiten we niet nu al mensen uit in onze samenleving? Is onze samenleving straks niet alleen voorbestemd voor een geselecteerde groep? Van Andel maakt een goede schets van een wereld waar we eigenlijk niet in willen leven. Een wereld die mensen uitsluit: “Als Insite niet meer betrouwbaar is, wordt het een puinhoop. We zijn er allemaal van afhankelijk.”

 

Niet alleen vanwege de gelaagde thematiek boeit In transit van begin tot eind. Ook de drie belangrijkste personages, Aag, Levya en Rheyn worden perfect uitgewerkt. Aag, ligt ons, door het ik-perspectief, het dichtst bij het hart. Haar vastberadenheid om haar verloren oma Nana te vinden, raakt je. Vanaf het begin neemt ze je mee in haar verdriet en haar onmacht. Ze laat je lachen, laat je huilen. Haar besef na het lezen van de familiebrieven, doet je pijn en woede: “We waren niet meer dan beesten.” Levya wordt vanuit het hij/zij-perspectief beschreven, hij staat verder weg. Toch krijgt hij ook een plaats in je hart. Al snel twijfelt hij aan de slechtheid van de grauwers. Steeds meer stelt hij zijn vraagtekens bij het systeem van zijn wereld en daarin neemt hij je mee. Rheyn roept vanaf het begin een negatieve kant op: hij is gemeen, bikkelhart en koud. Van Andel beschrijft zijn perspectief vanuit een haast dichterlijke manier: korte, staccato zinnen bevatten zijn gedachten en gevoelens. Al snel wordt zijn innerlijke strijd duidelijk: hem is altijd verteld dat de grauwers slecht en beestachtig zijn, zelf ontdekt hij anders. Alle levenslessen lijken één grote leugen. Wat moet Rheyn nog met zijn leven? Die innerlijke strijd weet Van Andel zo krachtig neer te zetten, dat het voelbaar wordt voor iedereen: “Ontmenselijking. Ik schaam me zo.” Rheyns schaamte, zijn verdriet; lange tijd verstopt hij zich achter een zelfgebouwde muur.

 

“Weer zoiets, ging het door hem heen. Dieren schamen zich niet, dat doen alleen mensen.” Ook voor Levya wordt het steeds duidelijker: grauwers zijn geen dieren. Helaas denkt zijn samenleving anders: de grauwers worden gebruikt voor de meest gruwelijke proeven. Samen met Rheyn probeert hij Aag te redden en zo leren ze elkaar steeds beter kennen. Hun werelden, die zo verschillend zijn, lijken soms zo gelijk.

 

“Waar ligt de grens tussen mens en dier? Wat maakt een mens een mens? Ik kijk om me heen en zie mooie dingen. (…;). Het menselijke. Maar ook: egoïsme, lompe onverschilligheid – (…;). Ik zie het glashelder nu.”

 

Via diepgaande opmerkingen, vol belangrijke boodschappen nadert het verhaal van de drie jongeren zijn einde. De gevoelige, menselijke Aagje heeft invloed op de harde, emotieloze jongens: hun besef verandert. Het verschil tussen een opvoeder en een moeder wordt duidelijk, familiebanden gaan een rol spelen. Na de laatste woorden van Aagje gloort hoop aan de horizon. Toch blijf je na het sluiten van In transit achter met een conflicterende gevoelens. Van Andel beschrijft een toekomst en laat je meer dan nadenken. Ze laat je de toekomst ervaren via Aag, Rheyn en Levya. “Om dat zogenaamde eeuwige leven te bereiken, hebben we het huidige opgeofferd.”

 

Deze recensie is geschreven door Marloes Otten. Docente Nederlands op een school in Meppel, waar ze les geeft aan leerlingen uit de onderbouw van de havo, de mavo en het vwo. Marloes is een echte boekenwurm: van Mulisch tot Hertmans, van Lewinsky tot Williams: je maakt haar met van alles blij.

 

Eerder schreef Marloes een recensie over Ik van Margaretha van Andel

 

In transit / Margaretha van Andel / Uitgeverij Lemniscaat / 2016 / 344 bladzijden

 




Tweede bespreking van chicklit.nl

In Transit is een futuristisch sciencefiction-achtig verhaal. De wereld in 2275 ziet er heel anders uit dan nu. De beschaving is door zonnevlammen verdwenen en de overlevenden zijn lang geleden al gescheiden in twee aparte soorten. Nu is de homo sapiens uitgestorven en de homo aeternus is als enige overgebleven. Ze wonen in geordende leefgebieden, wit en grijze steden, zoals Uter en zijn via een digitaal netwerk met elkaar verbonden.

 

Rheyn B-71 en Levya C-35 zijn twee vrienden, die hun school afsluiten. Na een Bezinningsjaar zullen zij In Transit gaan. Dan worden ze deel van de productieve bevolking en gekoppeld in het netwerk, de “Insite”. Het Bezinningsjaar geeft ze nog de kans om te relaxen en te kijken wat ze precies willen.

 

Levya wil echter geen geregelde vakantie en hij besluit een illegaal uitstapje te maken naar het reservaat van de raadselachtige “Grauwers”, de grote mensapen die je kunt bestuderen in de dierentuin. In het reservaat leven ze in het wild. Rheyn gaat mee, al is hij niet echt enthousiast.

 

In het Reservaat merken ze echter al gauw dat die “Grauwers” helemaal geen apen zijn. Ze wonen in huizen, dragen kleding en ze spreken een eigen taal. De Humanen, zoals de bewoners van Uter zich noemen, maken jacht op hen. Levya raakt gewond en hij wordt verzorgd door een Grauwer meisje, Aag. Alles wat Levya als waarheid heeft aangenomen, blijkt nu een leugen. De levens van Levya, Rheyn en Aag worden helemaal overhoop gehaald en de toekomst wordt voor hen heel onzeker.

 

In Transit van Margaretha van Andel, een Nederlandse schrijfster, is een beklemmend Young Adult-boek, dat heel erg goed geschreven is. Van Andel schetst op de eerste bladzijden al een sciencefiction-sfeer als van de film ‘The Island’. Een strakke witte, grijze samenleving, zonder kleur. Clean, hygiënisch en geregeld. Daar tegenover staat het groene kleurrijke reservaat. Het reservaat wordt Ardenne genoemd en je herkent aan de beschrijving de Belgische Ardennen.

 

Als je een scifi fan bent, zoals ik, dan roept het beeld dat Van Andel schetst ook gelijk herinneringen op aan diverse andere scifi films en boeken, maar dat is alleen maar prettig en een compliment aan de schrijfwijze van de auteur. Ze maakt daarnaast verrassend leuke links naar bekende dingen in onze huidige maatschappij. Zo wordt het Internet bijvoorbeeld “Insite” en de social media trends en wetenschappelijke ontwikkelingen worden in “In Transit” doorgevoerd tot in het extreme.

 

De Humanen spreken niet meer met elkaar via geluid, maar met mindchips via het Insite netwerk. Bijna zoals onze huidige jeugd alleen nog contact met elkaar heeft via social media in plaats van ouderwets met elkaar te praten. De mens wordt niet meer verwekt, maar ‘gebouwd’. Maar ondertussen verliezen zij hun menselijkheid en ze ontnemen ook de Grauwers hun menselijkheid, want als inferieur soort zijn ze de naam ‘mens’ en hun bestaan niet waardig, vinden de Humanen. Aan Levya, Rheyn en Aag om de 'menselijkheid' voor de werkelijke mensheid te redden.

 

De vraag of ‘bestaansrecht’ is weggelegd voor iedereen is het thema en daar omheen heeft Margaretha van Andel op pakkende en intrigerende wijze een heel goed verhaal geschreven.

 

Ik kon het boek niet wegleggen en heb het in één ruk uitgelezen. Een echte aanrader dus!

 



Rss_feed